Twee kilometer

Al weken wordt mijn geboortegrond geteisterd door sneeuw en ijs. Nederland is er niets bij. Gisteren viel er aan de Oostzee alleen al een nieuw pak van 40 cm. Bovenop al het wit dat er al lag. Op sommige plekken is het nu drie meter. Het openbaar vervoer in Rostock ligt plat, dus mijn oma gaat niet meer naar buiten. Vlak bij mijn geboortestad Greifswald kun je over de Bodden lopen, en het grootste eiland van Duitsland moest het even helemaal alleen doen omdat de enige brug ook dicht was.

Het kleine zusje Hiddensee is afgesneden van de buitenwereld. De veerboten gaan niet meer, en het ijs is eigenlijk te gevaarlijk om een tochtje te wagen. Het is maar twee kilometer. Klinkt weinig, dus met wieltjes onder de koffer en gaan maar? Gisteren waren er toeristen die het deden. Waaghalzen. Gekken.

En wat ze allemaal zeggen: de laatste keer dat we dit meemaakten, was 31 jaar geleden. Met een dikke buik deed mijn moeder er toen 24 uur over om van de ene naar de andere stad te komen.

Ik wens ze de komende dagen veel sterkte, daar in het Noordoosten. De volgende sneeuwstorm is aangekondigd voor dinsdag. Hou vol, eilanders!

Tennisarm

Ik ben nooit een fan geweest van het spel met twee rackets en een groen-gele bal. Zelden liet ik me meeslepen met een tennismatch op televisie. Gesprekken over favorieten, deuce of advantage kon ik nooit erg goed volgen. En ik heb maar één enkele keer zelf tegen zo’n balletje aan geslagen.

En toch kreeg ik de afgelopen twee weken een tennisarm. Van het bladeren. Ik heb net de autobiografie van André Agassi uit. Open.

Dat was het en dat niet alleen. Briljante dialogen en hersenspinsels, verrassende details en dan heb ik het niet alleen over zijn wedstrijden.

Nooit gedacht dat een biografie van een tennisser ook nog eens zo spannend kon zijn als een misdaadroman. Het staat er niet op (ik heb de Engelse versie gelezen), maar het blijkt een pageturner.

Game, set, match, Agassi.

Koud

Iedereen is klaar met de kou, maar ik ben stiekem jaloers dat we hier geen -10 hebben overdag.

Mijn ouders genieten er op een bevroren Spree in Berlijn nog iedere dag van. Al weken is het daar zo koud als normaalgesproken in Rusland. Zelfs de Oder op de grens van Duitsland en Polen is over een lengte van 200 kilometer bevroren, een paradijs voor Nederlandse schaatsfanaten, ware het niet dat het water van de rivier in de vorm van ijsschotsen tot stilstand is gekomen.

En 2,5 uur rijden vanaf Berlijn doen ze de ski’s onder en glijden door besneeuwde bossen. Zonder honderdtallen Nederlanders of Duitsers die zich bij de skilift staan te verdrukken. Gewoon op langlaufski’s. In de anders zo suffe maand januari.

Wil ik ook.

Emmy goes Haïti

Ook bij ons stonden de kinderen gisteren al met lege tassen voor de deur. Of we die alsjeblieft wilden vullen met statiegeldflessen. Voor Haïti.

Even zag ik mezelf zo staan, twintig jaar geleden. Met een karretje trokken we langs de bewoners van de flats met elf verdiepingen. Daar scoorde je het meeste oud papier – met een touwtje al keurig tot een pakketje gebonden – en de grootste hoeveelheden bierflessen. Met een volle kar en nog vijf andere kinderen trok ik dan naar een vierkant gebouwtje vlak bij de tramhalte – de ‘Seroannahmestelle‘. Van Emmy, de olifant kregen we de centjes uitbetaald, al met al een mooie aanvulling op ons zakgeld.

Toen deden wij dat iedere week, we bespaarden de mensen het gesleep (dat heette dan ‘socialisme’) en streken er ook nog geld voor op (dat we wonder boven wonder meestal zelf mochten houden. We hoefden het niet op te sturen naar onze Russische vrienden). Perfect geregeld door onze staatshoofden.

Nu is het incidenteel, maar mooi om te zien dat de kinderen zo enthousiast bezig zijn. Helemaal omdat ik maandag ochtend zelf met een overlevende van de aardbeving sprak. Bij hem thuis, aan de keukentafel. Han van de Goor uit Amersfoort was voor zaken in Port-au-Prince, even later alleen nog maar aan het overleven.

En hoe bizar zijn belevenissen ook zijn, hoe het voor zijn familie moet zijn, om langer dan 24 uur niks te horen, hoeveel malen erger het is voor de Haïtianen – mijn voorstellingsvermogen houdt al op bij de vraag: ‘hoe voelt een aardbeving?‘. Ik kan er simpelweg niet bij.

Kinderen van Nederland: hier hebben jullie al mijn flessen.

Vierkant en bruin en met glas erin

Ik heb een hekel aan mijn bril. Niet aan alle brillen op aarde, en ook niet aan de bril die een ander draagt. Gek genoeg vind ik dat een bril iemand anders altijd beeldig staat. Maar mij niet.

Vind ik.

Omdat mijn linker oog nu al vier weken rood is, de huisarts vooralsnog niet snapt waarom het niet weggaat, ik er zalf in moet smeren die voorlopig dus niks uithaalt, ben ik tevens gedwongen om mijn vierkante, bruine bril op te zetten. Mijn lenzen verpieteren ondertussen in hun witte doosje en mogen er van mij en van de huisarts niet uit.

Ik draag mijn bril al vanaf mijn vierde. Mijn haatgevoelens jegens dat ding zullen er ongetwijfeld mee te maken hebben. En toen ik op mijn negende eindelijk af was van dat luie oog en dus ook die bril, kreeg ik maar een jaar respijt. Toen kon ik ineens de letters op het bord in de klas niet meer lezen en was het opnieuw hommeles. Wéér naar de opticien, wéér die glazen op.

Jaloers was ik op mensen met beugels. Dat stond tenminste nog schattig!

Toen ik 15 werd en in een dansgroep zat, vond ik dat het maar eens afgelopen moest zijn. Ik bestelde lenzen en sindsdien heb ik die amper meer uitgedaan. Want ook dat ik geen vriendje kon krijgen, had zeker en vast met die ontspiegelde kijkers te maken! Eén week met lenzen en de leukste jongen zag me ineens wel staan! (Dat was het keiharde bewijs).

En ook al zeggen collega’s nu regelmatig hoe goed mij de bril staat: ik geloof het gewoon niet. Ik zit met smart te wachten op de afspraak bij de oogarts, een sterk middel dat me mijn oogwit teruggeeft en de zachte halve cirkels die dan mijn iris weer omhelzen.

Tandpijn

Kiespijn kan ik het niet noemen, want het zijn de hoektanden die zich met geweld een weg banen in de mond van Max. Hij heeft al een heel mooi rijtje boven en onder, maar waar tot nu toe nog wat schattige gaatjes zaten, verschijnen nu langzaam aan witte puntjes. Vier tegelijk.

En dat schijnt pijn te doen als ik mijn zoon moet geloven. Hij wordt meerdere keren per nacht wakker en weet dan niet waarheen met zichzelf. Behalve af en toe een zetpil is er weinig soeps om hem te helpen. Een aai over zijn bol kan ie tijdens de nachtelijke uren ook niet echt verdragen. Zelfs aanraken doet dan zeer.

Niet voor niks kan waarschijnlijk niemand zich nog herinneren hoe het voelde toen je tanden kreeg. Ofwel?

We mogen het immers twee keer meemaken: in onze eerste twee levensjaren, maar daarna nog een keer als we langzaamaan de eerste letters kunnen lezen. En ik vraag me nu dus af: we weten nog van alles en nog wat uit de tijd dat we 8 waren. Dat we met de fiets uitgleden en harde kiezelsteentjes zich in onze knieën boorden. Dat onze ouders vervelend deden omdat we moesten helpen afwassen, en dat we voor het donker thuis moesten zijn.

Maar geen seconde herinner ik me het moment dat mijn melktanden werden vervangen door blijvende. En hoe dat voelde. Iemand?

Keep on…

Het was veel te lang geleden en door de kou was ik erg goed geworden in uitstellen. Zelfs vier kilometer schaatsen kunnen op een gegeven niet meer compenseren dat ik alweer een tijdje helemaal gestopt was met hardlopen.

Geen onwil en ook geen klachten; hooguit sneeuw en ijs die me weerhielden. Vanmiddag besloot ik de lijn opnieuw te doorbreken: -5 of niet. Geen seconde langer nadenken, schoenen en lange broek aan, muts en handschoenen mee en starten.

Mijn adem bevroor op de eerste hoek, mijn neus deed 50 meter verder pijn, maar vijf minuten later verdwenen deze winterverschijnselen en voelde mijn lijf als één grote warme deken. Nog weer vijf minuten later begreep ik helemaal niet waarom ik iedere keer weer zo’n lange pauze inlas. Want het is gewoon lekker om te lopen.

Wel heb ik nu een beetje een stok achter de deur. Vriend J. en ik hebben dit jaar grote doelen. De eerste deadline nadert al binnen drie maanden, de halve marathon in Berlijn op 28 maart. Ook vorig jaar heb ik die gelopen, maar hartstikke onvoorbereid en dus ongezond kwam ik na 2 uur en 21 minuten over de finish. Dat is dus vele malen te traag.

Dit jaar wil ik wel wat athletischer aan de start verschijnen. En na het resultaat beslis ik of de volgende grote stap aandurf.

De marathon in september.

Sportief met kind

We gingen gewoon.
Even zat ik gister te denken: hoe lukt het me het beste om te schaatsen met een mensje van anderhalf aan mijn zij? Het is het liefste jongetje op aarde, maar hij wacht niet zomaar tot mama terug is van een toertocht van 25 km natuurlijk. En dubbele ijzers zijn er volgens mij nog niet in maat 23.

Naar de oppas is niet leuk, want ik ben niet voor niets vrij op woensdag. En schoonmoeders vond het net eventjes te ver om vanuit het gladde Drenthe af te dalen naar Woudenberg. Toch maar thuis blijven dan? Maar de zon ging schijnen en dus stapten we gewoon met z’n tweeën in de auto. Kinderwagen en schaatsen mee. Zonder grootse plannen. Dabei sein ist alles.

Op de parkeerplaats al komen we vriendin M. tegen. Wat op zich een wonder mag heten, met slierten van automobielen en 1400 mensen op het ijs. M. is veel fanatieker dan ik, en ze was inderdaad net klaar met de route van 40 km.

Maar kind of niet, de kriebels gaan ook bij mij niet weg voordat ik niet even op het ijs heb gestaan. Toen het Henschotermeer in zijn witte kledij voor me lag en ik een aantal buggy-schaatsers lachend en blij voorbij had zien trekken, dacht ook ik: gewoon schaatsen onder en los. Niet zoveel nadenken.

En het was prachtig. Nee, we hadden niet het mooiste ochtendijs, en nee, meer dan 4 km werd het niet. Maar daarvoor in de plaats had ik een om zich heenkijkend mannetje in de wagen voor me, verbaasd starend naar mijn voeten en die van mijn medeschaatsers. Tevreden een broodje kauwend en de kou trotserend. En ik hem maar uitleggen wat we hier met z’n allen aan het doen zijn.

Tijdens de terugreis en nog de hele avond was ik in opvallend goede humeur en wat mij betreft gaan we in het weekend weer, want mijn schaatsbenen deden het voortreffelijk. Zo maken we ook kans dat Max er iets van onthoudt.
Mocht de volgende koude winter wat langer op zich laten wachten.

(Met dank trouwens aan collega M. die de hele dag live verslag deed vanaf het meer, onderwijl nog 14 km schaatste en toch even tijd had om de bovenstaande foto van ons te maken!)

En nu al het nieuwe…

Het nieuwe jaar is begonnen met een oude traditie: met duizenden anderen naar de binnenstad van Berlijn trekken en het grote vuurwerk zien.

Eerlijk is eerlijk: ik kan niet goed tegen mensenmassa’s en helemaal niet als ik er zelf tussen sta. En dus kiezen we altijd een sluiproute. Zo rustig dat je de sneeuw nog hoort knarsen onder je schoenen. We komen uit bij de Rijksdag en het grote open veld waar je zo mooi een paar raketten kan afsteken. Baldadige jongens of ruzies? Ver te zoeken. Mocht er nog een beetje restlawaai zijn, dan wordt dat opgeslokt door de sneeuw die onophoudelijk op onze mutsen valt.

Eén parallelstraat verder hossen toeristen op foute muziek, betalen 5 Euro voor een biertje en staan tot aan hun enkels in de drap. Hier merk je daar niks van. Een fijn wit bodempje, winterlaarzen, kinderlijke spanning. Om ons heen staan ook kleine groepjes die vast hun Rotkäppchen-Sekt een kop kleiner maken en sterretjes aansteken (dat mag één straat verder helemaal niet vanwege de drukte).

Vlak voor twaalf uur wordt het knallen om ons heen toch wat harder, en even later begint het echte vuurwerk. Boven onze hoofden, groot, waanzinnig, nog nooit hebben we het zo mooi gezien. En dat terwijl we al zo lang hier staan.

Sfeervol en chique legen we onze kartonnen bekertjes. Van binnen helemaal warm.

(En even later liepen we gewoon zo door naar de Brandenburger Tor en dansten zelf nog even een rondje, vandaar de foto)