02:30:22

Dat is de tijd.
Want ik zou het bijna vergeten. Bijna.
Gisteren hebben vriend J. en ik de halve marathon gelopen. Met door ochtenddiensten vermoeide benen, maar toch.

Zeven minuten sneller dan vorig jaar. Nog steeds niet echt een knaller, maar dan hadden we maar harder moeten trainen.

(Foto’s volgens hopelijk. Kan nu nog niks vinden online.)

Bijgeslapen

Vijf dagen achtereen om vier uur opstaan is niet bepaald makkelijk. Iedere ochtend vroeg draaien, alert zijn, geen belangrijk shot vergeten, ook niet. Tijdens het inladen van mijn beeldmateriaal rammelde mijn maag iedere keer zo erg, dat de RBB-kantine mijn beste vriend was geworden.

En nu is het alweer allemaal achter de rug. 12 tot 13 uur per dag werken – daar was ik inmiddels aan gewend geraakt. Ook aan de wat serieuzere omgang met collega’s en de lange vergaderingen. De technische beslommeringen – die moest ik op de koop toe nemen, maar leuk is anders.

Toch was het mooi. Even heel ergens anders kijken. Ergens anders werken. De basis is hetzelfde, en toch is niets zoals op de thuisredactie.

Een serie van vijf afleveringen in vijf dagen: dat heb ik in Utrecht nog nooit gedaan. Ondanks al dat harde werk liep ik iedere dag vrolijk het pand uit. Ik ben trots op wat ik heb gemaakt. Gebeurt niet vaak – vandaar dus even zwart op wit.

Alle reportages van de laatste week op een rij:

> Die Frühaufsteher: Der Flughafen

> Die Frühaufsteher: Der Radiomoderator

> Die Frühaufsteher: Der Kindergarten

> Die Frühaufsteher: Der Bäcker

> Die Frühaufsteher: Der Kioskbesitzer

Voorlopig ben ik hier klaar. En nu een weekje vrij.

(De eerste twee reportages zijn helaas niet meer online te zien. En met de rest moeten jullie dus ook opschieten…)

‘Frühaufsteher’ beim RBB

Ik heb mijn eigen stagiaire deze week. Bovendien mag ik de auto van mijn vader gebruiken. En ik vertoef in een eigen kantoor.

Klinkt dus als ongelofelijke luxe, vergeleken met vorige week.

Feit is: ik sta iedere ochtend om 4 uur op. Rij met de auto naar andere vroege vogels, draai daar twee tot drie uur, kom om een uur of 8 aan in mijn kamertje 705 op de 3e verdieping, start de laptop op en tuur de komende uren naar een veel te klein beeldscherm.

Omdat uiterlijk in het tweede uur de eerste technische problemen opduiken, ben ik afgeleid en staak ik de hoofdwerkzaamheden om de bijzaken op te lossen. Stagiaire Christa heeft geen tijd om koffie voor ons te halen. Ze klimt meteen in de telefoon en regelt de afspraak voor de komende dag.

Ik wil muziek in mijn reportage. Hoe krijg ik die ook alweer in de laptop? Best op te lossen, en ik kan het ook, maar daar gaat weer een half uur. Christa regelt een memorystick en zorgt ervoor dat de deuntjes ook meteen goed geconverteerd bij mij aankomen.

Om tien uur zou ik graag bij de vergadering willen zitten, maar ik durf niet. Ze duren hier een heel uur, en dat kost me dus montagetijd. Die ik er dan weer achteraan zou moeten plakken. En dan gebeuren volgens Murphys law – juist! – opnieuw fouten die ik liever wil vermijden.

En dus gaat Christa in mijn plaats. Handig, want zo hoor ik tenminste of mijn/onze reportages wel aanslaan (op details na heb ik de indruk dat ze voor goed worden bevonden, erg uitgesproken zijn ze hier niet).

Ik schrijf teksten en monteer zo snel ik kan met het nieuwe programma. Mijn dvcam-bandjes raken op. Ik bel techniek: “Wat voor dingen? Nee, die hebben we niet in huis.” Zelf kopen dan maar. (Trouwens: in sommige opzichten zijn ze hier dan wel weer modern; de twee camjo-camera´s werken al met een geheugenkaart)

Het is één uur, mijn verhaal staat aardig en ik heb honger. Lunchen dus in de kantine en dat betekent hier warm eten. Voor mij is het nu sowieso al avond, dus ik ben snel weer gewend aan deze bijna verloren gegane traditie. Om drie uur wil ik vandaag het pand verlaten, nu echt! Dat moet lukken!

Er komen wat telefoontjes tussendoor, overleg met Christa over de reportages de komende dagen. Zonder haar zou deze hele week in het water vallen. Ik ga weer door, reportage afmaken, de audiobewerking kost nog veel te veel tijd.

Even later: klaar! De chef van dienst moet mijn reportage beoordelen. Ik bel. “Nee, ze zit in de middagvergadering.” “Is ze zometeen weer terug?” “Duurt nog even, de vormgevingsvergadering begint zo.” Aha. Uiteindelijk komt ze, verandert wat aan de tekst (terecht) en kijkt best blij. Ik sla alles op.

De reportage moet op een geheugenkaart. Van de kaart moet het op band, twee verdiepingen lager. Daar begint de wachtrij. Er zijn nog twee verslaggevers voor mij, wiens verhalen eerst gedigitaliseerd moeten worden. Goeeeeeeedddddd… Drie uur geweest.

Met de band in mijn hand loop ik naar de meneer van de audio. Die heeft ook een assistent die mijn bandje in een player drukt. Ik mag naar de spreekkabine lopen en mijn reportage op beeld inspreken. Ook dat ben ik niet meer gewend.

Oeps, fout op het bandje. Iets is misgegaan met opslaan. We lezen alsnog door en mijn lievelingstechnicus (nooit gedacht dat ik die zou hebben), rent terug naar de laptop om het opnieuw te proberen.

En ja hoor, daar is de volgende wachtrij. Verslaggevers die hun item nu willen inspreken en die vóór mogen. Tot ik mijn bijdrage helemaal af in handen heb, is het anderhalf uur later. Ik overhandig het bandje aan de eindredacteur en verlaat het pand. Kwart voor zes. Meer dan 13 uur ben ik nu achter elkaar aan het werk.

Ik ben tevreden over mijn reportages en dat maakt eigenlijk alles goed. En de zon schijnt.

En morgen mag ik weer. En overmorgen weer. En die dag erna ook. Het geeft wel een kick, maar het scheelt dat ik even geen privéleven heb.

> Frühaufsteher 1: Kioskbesitzer Halil

> Frühaufsteher 2: Bäcker Walther Steitz

Even alles anders

Vrijdagavond en een vijfdaagse werkweek ligt achter de rug. Tollen, hollen, veel geduld en tot tien tellen, dat is de korte samenvatting.

In de vergadering zitten wij verslaggevers op de eerste of op de tweede rij. De planner vertelt welke onderwerpen vandaag in de uitzending zitten. Iedere dag zit de Abendschau al voor de helft vol, de namen van de verslaggevers worden al vóór de vergadering door een kleine groep leidinggevenden vastgelegd.

Ik spreek met een aardige collega die me vertelt dat de basis altijd gespannen is. Eersterangs en tweederangs verslaggevers, en dat verandert bijna nooit. Ze is deze week twee keer buiten spel gezet, vergaderingen en haar research zijn voor nop, want als er geen reportage komt, krijgt ze ook niets betaald. Klakkeloos is haar idee vandaag bijna ongemerkt van tafel geveegd, ze had wel kunnen huilen, vertelt ze. In september wordt ze voor het eerst moeder en weet eigenlijk niet hoe ze deze onzekerheid daarmee kan combineren.

Ik schaam me nu bijna, maar mijn tweede bijdrage wordt uitgezonden. In Berlijn kun je tegenwoordig zelfs voor 4,95 euro naar de kapper. Witwaspraktijken, zeggen de échte kappers. Bewijzen zijn lastig, maar dat de kleine professionele kappers het moeilijk hebben, is maar al te duidelijk. Claus Soder had een paar jaar geleden vier medewerkers, nu is ie alleen en zelfs dat is lastig om te overleven.

Anika Fehrman heeft een maandelijks abonnement bedacht. Voor 30 euro wassen, knippen, stylen. Dan mag je zelfs iedere dag komen. Het is haar laatste redmiddel, anders moet de zaak dicht.

Draaien is makkelijk, de Berlijners hebben hun hart op de tong liggen. In charmant Berlinerisch krijg ik koffie aangeboden en de openheid die volgt, verbaast me. De moeder van Anika vertelt dat ze mij relaxt en ontspannen vindt in mijn werk, een groot compliment.

Gelukkig beheers ik het lokale dialect ook nog heel goed, dat maakt het contact nog persoonlijker. En ondanks een montage met een ouderwetse editor en het inspreken met een audioprof (niks meer gewend, deze zelfvoorziende camjo), ben ik tevreden met het resultaat.

Volgende week een serie van vijf afleveringen. Werktitel ‘Berlijn wordt wakker’, dus dat wordt vroeg opstaan.

Ploeterend door de grote stad

Maandag was ik nog bang dat het te saai zou worden. Nu weet ik niet meer of mijn hoofd nog wel op mijn romp zit. Het is aanpoten hier. Oftewel: ik ben verwend.

Voor mijn werk als camjo heb ik normaalgesproken een auto op de parkeerplaats klaar staan. Ik mag een TomTom meenemen. Ik heb een eigen computer waar ik mee kan werken. Ik spreek mijn eigen reportages in en ben verder van niemand afhankelijk. Soms heb ik zelfs gezelschap van een aardige radiocollega.

Hier niets van dit alles: ik ben op bezoek, maar de enige camerajournalist en moet dus alles zelf uitvogelen. Waar staat de laptop? Derde verdieping. Waarmee monteren? Programma ken ik niet. Auto? “Geen idee, we weten ook niet hoe dat voor jou geregeld is.” Dus ga ik met het openbaar vervoer. Dat in Berlijn uitstekend functioneert, mits je niet met camera en statief kilometers ver moet sjouwen. Ik was even vergeten hoeveel je hier te voet moet afleggen.

De concurrentie onder collega’s is moordend, want iedereen werkt als freelancer en moet vechten voor een verhaal.

En de mensen in Berlijn? De cafebezitter uit mijn reportage was superaardig, en de mensen op straat ook ongecompliceerd. En aan de telefoon was ik nog het meest verrast: persvoorlichters hebben hier humor. En bellen binnen een half uur gegarandeerd terug.

Later meer. Voor nu mijn eerste reportage van vandaag, die precies 1 minuut voor uitzending op een bandje naar de regie werd gegooid.

> Berliner und der Dreck

1e dag


Het voelt een beetje als een jong groentje op haar eerste dag. Onopgemerkt. Beetje verlegen. Iedereen is heel stil en er wordt veel vergaderd. Een verslag van de eerste uurtjes bij de RBB.

9.45 uur welkom geheten door Marlies, secretaresse. Gewoon ‘du’, dus dat is makkelijk. Ik krijg een account, maar die doet het nog niet meteen.

10.00 Redactievergadering
Wat doen we vandaag? Fietsen – de stad bereidt zich weer voor, terwijl er net een nieuw pak sneeuw is gevallen. Wordt al gedraaid. Jammer, dat had ik dus best als eerste klus willen doen. Ook de rest van de uitzending loopt snel vol. Zonder bijdrage van mij. Wanneer moet ik hier precies mijn hand opsteken?

11.00 Redactievergadering
Alweer? Ja dus. De planning van de komende dagen. Ook die uitzendingen staan al aardig vol. Hmm, waar moet ik me daartussen wringen? Krijg ik onderwerpen? Of moet ik vooral zelf ideeën inbrengen? Ik kan het niet goed inschatten. De vergadering duurt ook weer langer dan een uur. En gaat traag, weinig mensen zeggen iets. Hier speelt zich veel in de hoofden af, ik heb er geen inkijk in. En ik durf ook nog niet alles te vragen wat op mijn tong ligt.

12.30 uur
Ik ben geinstalleerd, kan bij het mailprogramma en het nieuwssysteem. Een tweede koffie halen. Zit ik dus al op 90 cent voor vandaag. Die is namelijk niet gratis. Ik ga maar over op water, denk ik.

13.04 uur
Ik wil langzaam weten wat mijn rol wordt. Dat moet ik vragen aan de planning. Die zegt: ‘ik heb net twee vergaderingen gehad, ik moet nu uitrusten. Heb nog geen tijd voor jou.’ Wat????? Uitrusten?? Waarvan?? Ik heb toch nog niks gedaan! Ik wil mijn camera pakken, nu!!!!! Daarvoor ben ik hier toch??? Shit. En secretaresse Marlies vertelt me dat de redactie nu tot half drie, drie uur leegloopt. Verslaggevers zijn op pad (al heb ik dat bijna niet gemerkt) en voor de rest is het hier bijna muisstil. Niemand komt aan mijn bureau, niemand wil iets weten. Voel me heel erg stagiaire nu. Raar.

Even later regel ik mijn montagelaptop. Dat duurt lang, dus de rest van de dag ben ik onder de pannen. Ander montagesysteem, uitvogelen, maar de twee verslaggevers die er verstand van hebben, zijn er niet. Technicus Martin redt me even later. Legt uit hoe ik mijn item uit de laptop in de regie krijg. Hoe en waar ik kan inspreken (‘vertonen’ heet dat hier), en hij leidt me door de krochten van het gebouw.

De tijd vliegt om en voor mijn gevoel schiet ik niks op. Ik ben het niet meer gewend om binnen te zitten. Ik pap aan met de CvD (Chef vom Dienst). Die gaat over de uitzending en kijkt mee over de schouders van de verslaggevers. Hier in de editsets voel ik het weer: ze hebben weliswaar Cutter (editors dus), maar dit is wat we allemaal gemeen hebben: verhalen vertellen. Dolgraag wil ik met de verslaggevers babbelen, maar die zijn veel te druk en lopen snel door als iets af is. Ben ik ook zo op de thuisburelen?

Berlijn vliegt ongezien aan me voorbij als ik in de S-Bahn zit. Ik ben geen toerist. Ik moet hier keihard mijn best doen.

Lang lang kort

Ik was 12 of 13 toen ik er voor het laatst zo bijliep. Waarschijnlijk was het de schaar van mijn moeder, of gewoon handig. Hoefde je op school niet steeds je haar uit je gezicht te slaan.

Nu is het eigen vrije wil. En ik zal als onhip verschijnsel wel weer achter iedereen aanhollen, maar ik heb ‘m terug: de ouderwetse pony!

Houvast

Over drie weken wil ik de 21 kilometer bedwingen. Dat gaat lukken, maar het moet ook zeker beter dan vorig jaar. Toen was ik 2 uur en 37 minuten onderweg (na bijna niet getraind te hebben). Een soort ezelstred vergeleken bij een renpaard.

En dus ben ik me aan het uitsloven op de weg. Dat doe ik meestal op mijn vrije dagen, maar alleen in het weekend kan ik wat meer kilometers maken. Want doordeweeks moet Max vaak mee. Ik kan hem immers niet altijd voor een rondje rennen bij de buurvrouw stallen.

Soms loop ik een half uurtje als hij slaapt. Langer weggaan durf ik niet aan en dat hoort ook niet. Dat levert maar 4,5 kilometer op, maar is wel belangrijk om de benen in beweging te houden.

Op andere momenten kies ik voor de optie ‘meenemen’. Max gaat warm ingepakt in de kinderwagen, met zijn gezicht lekker in de wind. En moeders rent er achteraan. Ik word van alle kanten bekeken, want dat doet dus niemand hier in de wijk. Kan me niet schelen.

De hoogtepunten voor Max zijn onderweg achtereenvolgens de viskraam, de molen, de trein (die ons niet in de steek laat en toevalligerwijs altijd langskomt als wij rennen), de koeien of schapen, de trekkers en de kinderen op skateboards.

De training is wel anders, want doordat mijn armen een soort stuur vasthouden, staat mijn bovenlijf bijna stil, en dat heeft ook weer effect op mijn benen. Die gaan een beetje wiebelen. Maar toch, aan het einde van de rit heb ik wel wat gedaan. Met drie keer kinderwagenrennen en zondag een lange tocht in mijn eentje (planning: 15 km), zit ik al op 4 keer trainen deze week.

Op 28 maart laat ik lekker oma achter de kinderwagen lopen. En ren ik als een speer door de Brandenburger Tor.

(Ik had natuurlijk ook een speciale gadget kunnen aanschaffen, zie afbeelding boven links, en ditblog. Maar ja, dat vond ik dus pas één minuut geleden.)

Zurück

Nu nog een heleboel uren met mijn hoofd in de lokale gemeenteraadsverkiezingen. Daarna nog een paar reportages over Jan, Alleman en hun Utrechtse achtertuin. Langzaamaan bereiden mijn hersenkwabben zich dan voor op wat volgt: twee weken fulltime meedraaien bij de Berlijnse omroep.

Terug naar huis dus. Alhoewel: ik weet niets van de Berlijnse gemeentepolitiek. Zelfs het Duitse woord voor ‘wethouder’ moet ik opzoeken. Ik heb geen idee hoe het is om met een camera van de ene naar de andere kant van de stad te racen en dan ook nog op tijd terug te zijn op de burelen. Ik heb ook geen flauw benul hoe de journalisten daar in elkaar zitten. En of ze mijn Nederlandse manier van werken grote onzin vinden. Of juist niet.

Ik moet zien of de mensen daar makkelijk hun hart uitstorten voor mijn lens, en of ik het dan toch ineens eng vind; mijn handwerk in de grote stad.

Eén ding zal me amper dwarszitten: de taal. Dat scheelt een stukje.

Voor de rest ga ik uitvinden of het wel kan – een bijna Nederlandse in de grote boze Duitse stad.

(Vanaf 15 maart hoor ik dus even bij de redactie van deRBB Abendschau. En doe daar dan (dagelijks) verslag van. Hier op mijn weblog.)

Schiet op!

Nee, de verwarming draait niet meer op volle toeren. Het vriest niet meer buiten en dus doen we maar gewoon een dikke trui aan binnen.

’s Ochtends is het licht als ik de deur uit ga. ’s Avonds heb ik het idee dat er nog maar een dagdeel opzit, want zelfs om half zeven hoef ik de lampen in huis nog niet aan te doen.

De vogels fluiten, her en der dragen mensen al wat meer kleur. Collega’s gaan naar de kapper of beginnen fanatiek hard te lopen. Ijs is history. De Olympische Winterspelen voorbij.

De zon schijnt. Af en toe een mild briesje. Hij is nabij, nog heel even, dan blaast ie warm in onze nek: de lente!

Maar voorlopig zit ik nog steeds met een bodywarmer achter de computer. En laat ik nu het bad weer vollopen. Met heel heet water.