Nieuwe ronde (over oude collega's)

Iedere zomer weet je het. Een nieuw televisieseizoen. Nieuwe programmering. Dat betekent: veel vacatures. En dus ook veel collega’s die solliciteren.

Pas rond augustus hoor je hoeveel er ditmaal zullen wegglippen.

Niet omdat het niet leuk is bij de regionale. Of omdat ze zich vervelen. Nee. Omdat ze willen weten hoe het is om voor de landelijke te werken. Of omdat ze dan van hot naar her kunnen reizen. Of langere onderwerpen mogen maken.

Omdat Hilversum lonkt, of Amsterdam. (Of in één geval: Friesland).

Dit jaar spant de kroon. Vijf goede, erg goede collega’s vertrekken. Vijf. Ik herhaal: vijf.

Dat is veel. Heel veel. Veel teveel.
Want terwijl ik er nog niet eens zolang werk, ga ik me nu definitief een regionaal fossiel voelen. Iedereen die vertrekt, is namelijk na mij binnengekomen.

Jemig. Ik moet aan de rimpelcrème. Het wordt herfst.

48 uur geleden

48 uur geleden stonden we met z’n allen in een houten huisje op het stadstrand van Utrecht. Vriendin S. en haar vriend A. hadden V.I.P. uitnodigingen verstuurd. Voor een verjaardagsfeest (“the big three oh”) met een ‘mega-once-in-a-lifetime-verrassing’. Op maandag avond, heel hip.

Toen ik een maand eerder nog bij hen thuis zat te vissen wat ze nou in hemelsnaam precies gingen doen, kreeg ik een heel duidelijk antwoord. “Ik weet het ook niet, Ulli. Het is een verrassing van A. Voor mij.” Ja hoor, dat moest dus een aanzoek worden. Op z’n minst.

Vier, vijf weken lang dacht ik er niet meer aan. Tot afgelopen maandag middag. Mijn reportage was nog niet af, toen ik een sms kreeg: “Wil je zo je camera meenemen? Is maar voor een paar shots (het ja-woord enzo ;-)”.

De zenuwen overmanden me. Een hele goede vriendin, die zonder mijn weten zometeen over twee uurtjes zomaar als verrassing zou gaan trouwen? Ik geloofde er niks van.

Maar het was waar. Om half acht verkondigden bruid en bruidegom dat ze al verloofd waren en dat ze hier, nu, meteen, jawel, zouden gaan trouwen. Twintig minuten later kwamen ze omgekleed weer de zaal in. Een stuk of tien speeches hadden ze voorbereid en in onze handen gedrukt.

Geen tafelschikking, geen maandenlang zoekwerk naar bruidsjurken, geen officiële ceremoniemeester, maar gewoon S. en A. met een microfoon in hun handen, ringen uit China en uiteindelijk twee keer ‘ja’.

Een briljant theaterstuk. Maar dan echt.

Und wenn der Sommer längst verweht…

Het is raar met vakantie. Als je gaat, is er die onbestemde voorvreugde (mocht dat geen woord zijn, dan is het een eigen verzinsel gebaseerd op het Duitse ‘Vorfreude’). Als je er bent, probeer je de indrukken vast te houden. En vast te leggen met een fototoestel.

Op een avond zit je naar de bomen of de zee of de stad te turen en zeg je tegen jezelf dat je je niet kan voorstellen om volgende week weer in Nederland te zitten. Althans, ik zeg dat wel tegen mezelf.

En dan ga je terug, en moet je weer wennen aan je eigen huis, je eigen tuin. De computer en de televisie gaan weer aan, en de radio sleept je weer terug in je oude werk- en woonwereld.

Dan probeer ik te handelen volgens Goethe. (Gebeurt niet vaak dat ik hier een Duitse dichter citeer en me zelfs zijn werk ter harte neem, maar deze begeleidt me toevallig al heel wat jaren, omdat ik een keer een kaartje heb gekocht, waar dit opstond):

Auch das ist Kunst,
Ist Gottes Gabe,
Aus ein paar sonnenhellen Tagen,
Sich soviel Licht ins Herz zu tragen,
Dass, wenn der Sommer längst verweht,
Das Leuchten immer noch besteht.

Mocht ik nog wat licht geven dezer dagen, dan is het me gelukt. De zomer vasthouden terwijl ik alweer een hele week aan het werk ben.

Familie

Vakantie in Duitsland betekent ook altijd langs bij familie. Collega’s willen weten naar welke toffe kroegen ik in Berlijn ben geweest. Op welke dansvloer ik me tot vijf uur ’s ochtends heb staan uitsloven en waar de afterparty was.

Nou, die vindt meestal plaats bij mijn oma. In haar huis in het bos. Op zondag. Vanaf twaalf uur mogen we naar binnen, er staat geen muziek aan, maar de tafel wel vol met lekkers. Een echte Duitse warme maaltijd. Mittag essen, zoals vroeger.

Aangezien we ook nog een kind hebben en ons als verantwoordelijke ouders dienen te gedragen, kun je daar niet met een kater komen aanzetten, en dus laten we het stappen meestal zitten.

Familie heeft wel andere grote voordelen. Dat we zoon M. voor kleine uitstapjes altijd even achter kunnen laten (al is het maar om even de boekenwinkel in te duiken zonder voortdurend om te hoeven kijken naar een klein blond mannetje). Dat we voor nop kunnen overnachten. Dat zoon M. voortdurend nieuwe kadootjes krijgt. Dat het ontbijt al klaar staat als je beneden komt (en je in je pyjama kan aanschuiven) en dat je van Duitse oma’s altijd (echt altijd) een hele lading eten, bij voorkeur Kuchen (taart) meekrijgt.

En ik heb de mazzel dat ik op weg naar de Oostzee langs nog meer familie kom. Die hun tuinhuisje beschikbaar stelt voor een nachtje gezinsgeluk. Nog meer kadootjes voor M. meegeeft en ons voorziet van een fractie tuin- en natuurkennis. Zodat wij weten dat het frambozen- en bramentijd is en we die vervolgens met onze eigen vingers van de struiken mogen plukken. (Betaal je in de goed gesorteerde Nederlandse winkel makkelijk 4 euro voor, per bakje).

Een hele grote tas met zelfgemaakte jam krijgen we in onze handen gedrukt. De auto is veel voller dan op de heenweg, maar blijer kun je mij niet krijgen.

We vergeten wel eens hoeveel ze voor ons doen, juist ook omdat we ver weg wonen. Het enige wat wij terugdoen, is langsgaan. En dat zelfs iedere keer weer. In de vakantie.
Maar daar lever ik dan graag een avondje dansen en zuipen voor in.

Dat is familie.

Psssssssssssssst!

Ik ga jullie een geheimpje vertellen. Een goed bewaard schatkistje opendoen dat ik eigenlijk met niemand wil delen.

D’r zitten mooie zwart-witte stenen in die soms een gat hebben en dan Hühnergötter heten en de vinder geluk brengen.

Als je verder zoekt, vind je lange witte zandstranden, met nog wittere zeebruggen, in de zon schitterende krijtrotsen en goudgele graanvelden. En je eigen strandstoel.

Draai je even om en je staat in het mooiste sprookjesbos, met boomwortels die pas bij het topje van je hoofd beginnen. Loop het houten trappetje af of zet je voeten in de met dennen begroeide duinen en je staat ineens voor de branding.

Nergens anders liggen groen bos en blauw water zo dicht bij elkaar. Nergens vind je nog zo weinig Nederlanders.

En eigenlijk wilde ik dat zo houden. Maar teveel mensen willen van me weten wat en waar Rügen is.

Alsjeblieft: een kadootje van mij.

Een goed bewaard geheim, dus pssssssssssssssssst, niet verder vertellen!





Deutschland, deine Helme

Duitsers en risico, dat gaat niet goed samen. Ik ben namelijk nog niet uitgeschreven over de fietsen, verklap ik nu. Omdat het met de veiligheidsmaatregelen de spuigaten uitloopt in mijn thuisland.

Al struinend door mijn lievelingsboekenwinkel (concreet: met name de kinderboekenafdeling), overweeg ik heel even een Bilderbuch over jeugdige transportmiddelen aan te schaffen. Driewieler, tractor, step en Co. Op pagina 1 een afbeelding van een loopfiets (zoon Max beschikt reeds over deze tweewieler) en de zin: “Auf dem Laufrad müssen Kinder immer einen Helm aufsetzen”.

Boek dicht. Terug in het schap. Een helm? Op een loopfiets?

Op de camping en op de straten rond mijn ouderlijk huis (excuus: het moet ‘stoepen’ heten; die kinderen mogen de straat niet op, veel te gevaarlijk, want het gaat hier om kroost van het type vanuit het Rijnland aangespoelde Wahlberliner, en die zijn erg voorzichtig, heb ik het idee) zie ik het bewijs. Ouders met helm (en nee, dus niet op een racefiets), en op iedere loopfiets of driewieler een klein mensje met een roze of blauwe helm. Ook als ze op het fietsstoeltje bij mama of papa zitten: ja hoor. Hellumpie.

Het is een bizar gezicht. En het zal wel verplicht zijn, denk ik dan. Als ik het opzoek, zegt Wiki (en ook de Duitse overheid): “In Deutschland, Österreich und der Schweiz gibt es keine gesetzlichen Vorschriften zum Tragen von Radhelmen im Straßenverkehr.”

Ik ben verbijsterd. Ze doen dat allemaal vrijwillig?

Sterker nog: de Deutsche Bundestag heeft een oproep tot een ‘Helmpflicht’ afgeweerd vanwege ‘Überregulierung’ (teveel onzinnige wetten en regels) en nog een andere reden: als een helm verplicht zou worden, dan nemen minder mensen de fiets en dan wordt het voor de overblijvers die het autoverkeer als enigen durven trotseren, nóg gevaarlijker.

Nou snap ik het dus helemaal niet meer. Waarom dan toch al die ingepakte koppen? De volgende keer ga ik eens rustig zitten met een stel ouders voor een stevige discussie.

Ik kan die Helmduitsers natuurlijk niet allemaal uitnodigen in Nederland. Maar ik zou toch dolgraag eens hun geschokte gezichten willen aanschouwen als ze zien dat wij hier onze haren gewoon in de wind laten wapperen.

Vakantie in etappes

“Der Berliner fährt keen Fahrrad nich’.” Zo of zo ongeveer zou je het kunnen zeggen. Althans: dat was vroeger zo. Toen ik klein was, wandelde ik tien minuten naar het S-Bahn station. Ik reed twee haltes mee, stapte braaf uit en wandelde dan weer tien minuten naar mijn schoolvriendin J.

Op de fiets had ik dat stuk makkelijk vele malen sneller kunnen afleggen. Maar dat bedenk ik me nu pas, met de Nederlandse sluier voor mijn ogen. We fietsten namelijk nooit in Berlijn.

Datzelfde vriendinnetje J. kan nu nog steeds niet fietsen. (Nou ja, ze kán het. Als je haar dwingt. Hebben we een keer gedaan, hier in Nederland. Ze ging mee. Op de vouwfiets. Maar het ging heel traag en ze begon gevaarlijk te wankelen zodra we een stoep naderden). Ze durft niet. Want heeft het als kind nooit goed geleerd.

Wat gek? Denk ik nu. Maar we hadden de bus, de S-Bahn, de tram en hele gezonde voeten die ons overal naar toe brachten.

Nu zijn we twintig jaar verder. Ineens zie je overal op straat fietsen getekend. Af en toe zelfs een rood fietspad (blijft de uitzondering). En sluit je bij het volgende stoplicht achteraan in de rij. De Berlijner is gaan fietsen.

Mijn oom A. zegt dan altijd (ik zou hem graag van een Berlijnse tongval willen voorzien, maar die heeft hij helemaal niet, en ik moet wel bij de waarheid blijven): “Ich war einer der ersten! Die andern können das alle nicht. Fahren alle mit Helm. Im Schneckentempo. Furchtbar!”

Mijn oom heeft gelijk. Volwassen kerels en mooie dames zetten zelfs op hun gewone stadsfiets een helm op. Kinderen sowieso. Eén grote helmparade langs de East Side Gallery, de Fernsehturm en ook im Treptower Park. De eerste keer dat ik met tweejarige voorop naast de vrachtwagens ging fietsen, begreep ik het ook heel even: de fietser is hier een schepsel van de onderste klasse. De automobilist steekt daar torenhoog boven uit. En als je dit wilt overleven, moet je voorzorgsmaatregelen nemen.

(Toch pas ik voor een helm. Het staat zo toeristisch. En Duits. Maar dat terzijde.)

Het is misschien onze grootste ontdekking van het afgelopen jaar. Het is heerlijk om door Berlijn te fietsen. En eindelijk snap ik (ja, zelfs ik, als eingefleischter Berliner), welke wijk aan welke grenst en merk ik dat ik hartstikke veel sneller ben dan die kleine zwarte GTI die ik nu al drie keer heb ingehaald.

Misschien zelfs sneller dan de S-Bahn. Maar die wil ik niet missen. En dus stappen we daar op de terugweg in. Met fiets en al. Voor 1,50 Euro.

(Omdat we zoveel hebben gedaan op vakantie, ga ik de ervaringen opsplitsen en jullie de komende tijd voorzien van reisverhalen.)