Dakloos in Berlijn

Het is vijftien graden onder nul en ik sta met mijn camera bij de
Bahnhofsmission am Zoo. Een luikje gaat open en dan halen de daklozen een pakketje boterhammen op, een banaan en warme thee of koffie.

Veel meer hulp krijgen ze hier niet, dus om een slaapplek te
veroveren, zullen ze verder door de stad moeten trekken. Binnen spreek ik met de vrijwilligers en vraag of er iemand is die ik op weg naar een Notunterkunft kan begeleiden. En filmen.

Hij weet meteen iemand. “Aber die kann ich Ihnen eigentlich nicht zumuten.” (Met haar kan ik je eigenlijk niet opzadelen). Toch ga ik met haar praten.

Annette komt uit Nürnberg en is duidelijk in de war. Maar wel aardig en dus loop ik met haar mee. Na vijf minuten wordt duidelijk dat ik degene ben die haar op sleeptouw neemt in plaats van andersom. Ze wil haar tas geen meter meer dragen en als ik niet mee was, zou ze al lang
in de verkeerde trein zijn gestapt.

Ik probeer met één hand mooie opnames te maken, wat enigszins belemmerd wordt door de cameratas en het statief op mijn rug, en Annettes tas in mijn linker hand.

Als we goed op weg zijn, haakt vanuit het niets een Roemeense dakloze meneer aan, die geen Engels spreekt. “Bonita bonita” roept ie de hele tijd. En hij pakt zijn fiets en zet daar als vanzelfsprekend de tas van Annette op. Hij weet ook zonder woorden waar we naar toe moeten en loopt net zo lang mee tot we bij de blauwe deur met de noodslaapplekken zijn aangekomen.

Voor mannen is hier vanavond geen plek meer, maar als vrouw heeft Annette mazzel. Ze kan hier blijven en is inmiddels zo uitgeput dat ze niet meer met mij wil praten.

Het is 0 uur. Ik heb een reportage op zak en neem een taxi naar huis. De omroep betaalt. Waar Annette vanavond slaapt – geen idee.

Ik mag nog een keer!

Zo was het dus niet helemaal gepland.

Autoreizen in de winter is niks voor kinderen van twee, en dus hadden we besloten om de trein te nemen.

Die altijd gaat, behalve afgelopen vrijdag.

Eerst stond er 12 minuten op het bord in Hengelo. Daarna 27. En toen zei de website van de Deutsche Bahn op mijn minicomputer dat alle treinen van Schiphol tot Berlijn vandaag uit de dienstregeling worden gehaald. Zonder vervanging.
Er hing teveel ijs aan de bovenleiding.

We gingen de auto weer ophalen, onze zoon uitleggen dat de trein niet rijdt vandaag (die pikte dat wonderbaarlijk wel), en toen een nachtje erover slapen in Drenthe.

Dan maar met de auto, en dankzij onze vier-wiel-aandrijving (waar vriend J. de afgelopen dagen niet over uitgepraat raakt), konden we de kadootjes onder de kerstboom een dagje later uitpakken.

Nu is Max gestald bij Oma in het bos, en zijn wij naar de grote stad getogen. Waar morgen en overmorgen tussen de sneeuwbergen nog een heleboel werk op me wacht. Want ik ga opnieuw aan de slag bij de RBB Abendschau, waar ik in maart al een keer twee weken lang reportages mocht maken.

Het is maar twee dagen en toch: ineens voor een ander werken is een uitdaging, zet mijn zenuwen op scherp en zorgt ervoor dat ik nog meer mijn best doe dan anders. Dus dat kan alleen maar goed komen. (En het mag van mijn baas).

Bovendien zijn dat voorlopig ECHT mijn laatste twee verslagen voordat ik op 4 januari aan mijn nieuwe functie begin. Toch gek.

Ik heb er zin in. En vandaag sneeuwlaarzen aangeschaft om morgen ochtend op tijd op mijn werkplek te kunnen arriveren.

Heimwee

De koffers zijn gepakt, maar nog niet dicht. Morgen ochtend weet ik pas wat er allemaal nog in moet. Een gezonde zenuwachtigheid maakt zich van mij meester. En dat is opmerkelijk, want ik reis toch echt al zestien jaar op en neer tussen Berlijn en Nederland.

Vandaag is het weer zover. Om 11 uur vertrekt de trein vanuit Hengelo. Althans: als het weer ons goed gezind is. In Duitsland brak gisteren het absolute verkeerschaos uit omdat iedereen voor Heiligabend graag ‘naar huis’ wil (dat is dus vandaag, mensen, de belangrijkste dag in Duitsland als het om Kerst gaat) .

Dan verlaten heel veel mensen Berlijn, want oorspronkelijk komen ze uit Stuttgart of Aschaffenburg. En ik reis dus ook terugk. Maar dan juist de stad ín.

De afgelopen weken betrapte ik me op het veelvuldig openen van Duitse websites. Dat doe ik natuurlijk sowieso altijd wel, maar nu deed ik het nog veel meer. Ik wilde perse de webcams zien en de hoeveelheid sneeuw. Bovendien kijk ik iedere dag hoe koud het is. Daar. Thuis.

Waarom wilde ik toch zo graag gaan? Ik begon te rekenen. Wanneer was ik eigenlijk voor het laatst geweest? Oktober….Nee. September? Ja hoor. Een blik in de agenda bleek nodig. 26 september was de laatste keer.

En dat kan natuurlijk niet. Dat zijn maar liefst DRIE maanden. 12 weken Ulli zonder Berlijn. Dat gaat niet goed. Dat mag niet gebeuren. De heimweeuitsteldatum is daarmee ruimschoots overschreden. (Die ligt bij ongeveer 8 weken; opdat u het weet.)

Gelukkig word ik vanaf morgen langer dan een week op mijn wenken bediend.

Met één kink in de kabel. Mochten ze in Friesland besluiten dat er vóór 3 januari een Elfstedentocht wordt gereden, dan krijg ik last van een omgekeerd heimweedilemma. Daar MOET ik bij zijn.

Dus Fryske rayonhoofden: ga lekker nog even uitrusten (in Berlijn bijvoorbeeld). Want heen- en weergeslingerd worden – dat kan ik niet aan.

Bijspijkeren

Het was er steenkoud. Als je naar je slaapkamer ging, moest je haast rennen, anders bevroor je. Want het grote donkere huis had alleen maar één grote Kachelofen in de huiskamer waar je bij binnenkomst je voeten tegenaan kon houden. We zaten daar met wel zes volwassen stellen en de bijbehorende kinderen, waarvan ik er eentje was.

Ik heb het over Cämmerswalde. Daar ging ik met mijn ouders en hun vrienden naar toe toen ik een jaar of zeven, acht was. Op wintersport. In ‘onze’ tijd betekende dat nog dat we gingen langlaufen. Want zo heel erg veel hoge bergen waren er niet. En volgens mij ook geen liften. En je moet toch wat met metershoge sneeuw als je op vakantie bent.

Voor mijn gevoel gingen we uren en uren door de sneeuw. Om dan eindelijk te stoppen bij het volgende hutje waar we de handschoenen op de verwarming konden leggen. Het lag vast aan mijn korte beentjes, maar het waren zware tochten. Wel mooi.

Mijn ouders hebben hun lange latten nog steeds, en als in de bossen rond Berlijn genoeg sneeuw ligt, dan gaan ze gewoon weer op stap.

Afgelopen maandag dacht ik: dat kunnen we hier toch zeker ook wel. Op zondag hadden een aantal langlaufclubs zich al verzameld voor mooie tochten door de Utrechtse bossen, en zelfs in de stad werden ze gesignaleerd. En dus lag het voor de hand dat ik dat ook maar weer eens moest gaan doen.

En ik kon het nog! Niet op de wedstrijdmanier, maar recht vooruit. En toch: ik ben niet omgevallen, en ik kon na een tijdje zelfs best wel vaart maken.

En zelfs door de stad ging het goed ;-).

Ik word chef

Ik heb het laten bezinken. Ben gewend aan de gedachte. Stel me er langzaam op in.

Vanaf 1 januari ben ik eindredacteur.

Dat betekent een heleboel dingen:

Ik ben voorlopig aan mijn laatste twee weken als verslaggever begonnen. (Vooralsnog duurt mijn nieuwe baan van januari tot september, dus de camera ga ik nog niet opbergen op zolder.)

Ik ga weer fulltime werken. (Twee jaar lang heb ik genoten van 24 uur Utrecht; nu houdt de vrijdag weer op een vrije dag te zijn.)

Ik mag mijn mening opdringen aan (tot nu toe gelijkgestelde) collega’s. (Gelukkig weten die al dat ik een eigen mening heb. Maar nu krijgen ze die ook nog eens iedere dag te horen.)

Ik mag aan de andere kant van de medaille ruiken. (Beslissingen nemen, reportages beoordelen, samenwerken met presentatoren en de rest van de eindredactie.)

Ik weet niet of ik het kan. Want ik heb het immers nog nooit eerder gedaan.

Maar ik zal proberen om een goede chef te zijn.

En nog steeds dezelfde Ulli te blijven.

Nu ECHT

Eigenlijk heb ik gisteren voor het eerst zo’n echte ECHTE Sinterklaasavond gevierd. Ten eerste was het op 5 december, en dat komt niet vaak voor. Want Nederlanders gooien hun feestdagen graag op de dag van de week dat het ’t beste uitkomt. Dus ook deze.

Ten tweede heb ik nu een peuter van 2 (en een half) en daarmee is het voor het eerst ook een kinderfeestje.

Jarenlang heb ik mijn schoonfamilie moeten overtuigen dat ik ook dit jaar weer lootjes wil trekken. In 1998, in 99, in 2000. Ieder jaar zuchtte mijn schoonmoeder dat dit eigenlijk helemaal geen feest voor volwassenen was, en of we het niet misschien even wilden overslaan.

Klonk in mijn oren niet overtuigend.

Dit was toch een puur Nederlands feestje? Met heel veel poespas eromheen? Met pietenmutsen, pepernoten, een echte boot en zelfs een ECHTE Sint? Ik zoog het in me op.

Zoiets had ik in mijn Duitse leven daarvoor nog nooit meegemaakt immers. Daar gaat dat zo:

Op 6 december (vandaag dus) heb je ’s ochtends ineens iets in je schoen, maar die meneer die Nikolaus heet, is in de nacht daarvoor nergens te bekennen (laat staan in de voorafgaande weken). Een Duits kind kan hooguit gissen dat die beste meneer een rood gewaad draagt en dat zijn slee ergens echt wel even moet hebben gestopt. Maar een Nikolaus echt ZIEN? Nee hoor, die beste man ben ik nog nooit tegengekomen.

Duitse sprookjes staan namelijk in boeken. Nederlandse liggen gewoon op straat. En op het water.

Hoe kun je het anders verklaren dat een HEEL land in staat is om een paar weken lang ieder kind om de tuin te leiden? Iedereen – zelfs de meest consciëntieuze verslaggevers, burgemeesters, politici of managers – krijgen het voor elkaar om heel even hun kinderlijke fantasie te laten prevaleren boven de nuchtere en pragmatische zicht der dingen die ze de rest van het jaar hanteren?

En dat alleen maar om een groot Real-life-Sinterklaasspelletje mee te spelen? Met echte acteurs? Zo echt, dat je ze niet eens zo mag noemen? Want hij bestaat natuurlijk, die Sint. Daar twijfel ik na zoveel jaren niet meer aan. Ik heb ‘m nu immers al heel vaak gezien.

Het enige waar ik me nu nog zorgen over maak, zijn de cadeautjes.

Waar moet ik ze allemaal kwijt?

En wat zal dat met mijn kind doen als hij ieder jaar begin december voor een berg inpakpapier staat, en nog geen drie weken later alle ‘oude’ presentjes alweer worden ingewisseld voor de ‘nieuwe’ Duitse kerstpakketjes?

Een verwend kreng wordt het.

Maar ik voel me geroepen om waardevolle culturen overeind te houden, dus het moet.

De enige die het nakijken heeft, dat is Nikolaus. Want die schoen op 6 december, die kan er niet ook nog eens bij.

Sorry, meneer. Maar dan had u maar wat vaker uw gezicht moeten laten zien.

Advent, Advent, ein Säckchen brennt…

Ik hou van sneeuw. Ik hou van de kou. Ik hou van december en van thermo-onderbroeken onder mijn spijkerbroek. Ik hou van Omis warme wollen sokken in mijn laarzen. En van de ijspegels op mijn auto. Van de snijdende wind op mijn wangen. Ik hou er niet van als mijn vingertoppen bijna afsterven (in de handschoen), maar daar werk ik nog aan.

En ik hou ook van het gefrutsel, geritsel en geheimzinnige die laatste 31 dagen. Een maand vol met ingepakte verrassingen. En volgens Duitse traditie begint dat meteen op de 1e van de maand, met een Adventskalender.

Die kun je natuurlijk krijgen bij Lidl of Aldi. Of je koopt hem (zoals mijn schoonvader vorig jaar) bij het tankstation. Voor één Euro twintig. Met lichtbruine, flinterdunne iets-wat-op-chocola-lijkt-dingetjes. Dat kan. Maar zo eentje wil ik natuurlijk niet.

Daarom heb ik mijn naaimachine weer eens op orde gebracht (Weet u nog dat ik daar in mei 2009 een tof bloesje voor mezelf mee heb gefabriceerd? Mijn oma heb laten invliegen om een cursus te volgen? Nee? Zo lang geleden is het dus.)

Vervolgens heb ik de moeite gedaan om 24 zakjes te naaien. Niet allemaal even recht, maar dat geeft niks. De tak waar ze aan hangen, komt immers ook uit het bos en niet uit de fabriek. Alleen het touw is van de bouwmarkt, ik geef het toe.

En de inhoud liegt er ook niet om: echte lekkere chocola, nog echtere Duitse Dominosteine en vooruit; ook gewoon speculaas en pepernoten van de Appie. Maar dat houden jullie even voor je, toch? Want wij openen nu iedere dag één zakje hier thuis en willen graag verrast worden!

Het is december immers.