Brei een muts voor je kind!

Volgens mij moeten Nederlandse moeders aan de slag. Als de sodemieter zelfs. Want eindelijk komt uit waar ik al minstens twee maanden op wacht: een koufront waar je U tegen zegt. Temperaturen van -10 tot -16, plus een schrale wind uit het Oosten – ik denk dat de winkeliers vandaag heel hard in hun handjes klappen.

Want mutsen, sjaals, handschoenen en warme schoenen – dat slaan Nederlanders pas in als er kou wordt voorspeld. Eerder niet.

Afgelopen donderdag speelde Max met alle andere peuterspeelzaalkindjes buiten in de speeltuin toen ik hem ophaalde. Ik keek even om me heen, maar ik had het goed: hij was de enige met een muts op. De enige. Het was dan wel 5 graden, maar er waaide toch wel een stevige bries. In dat geval doen Duitse kindjes gewoon een muts op.

En Nederlandse dus niet.

Mijn schoonmoeder zegt dan: we zijn hier niet zo mutserig, in Nederland.

Dat zal de komende dagen ongetwijfeld veranderen. Wie geen muts heeft, moet vanmiddag dus naar de winkel. Maar ik vrees dat je dan alweer te laat bent. Want de voorraad warme omhulsels voor oren, neuzen, vingers en voeten zal razendsnel slinken. De afgelopen winters probeerde ik vergeefs om warme laarsjes voor Max te vinden: overal was alles uitverkocht, zodra de eerste sneeuwvlok de grond had geraakt. In Berlijn slaagde ik wel.

En ook al pak ik mijn kinderen voor Nederlandse begrippen in een kwakkelwinter dus al best warm in, voor mijn moeder en oma is dat niet warm genoeg. Met argusogen bekijken ze hoe ik met Lotta in de draagzak rondloop, terwijl er een klein beetje wind opsteekt. Das ist verantwortungslos, hoor ik mijn moeder zelfs zeggen. Weer thuis halen ze snel de breinaalden tevoorschijn om ons van nieuw materiaal te voorzien.

Maandag vertrekken we voor een week naar Berlijn. 650 km dichter bij Moskou. En daar is het nu -18. Overdag. Berlijn schommelt al rond de -5 en donderdag hebben we overdag -10. Mooi om te oefenen voor de wintersport. De koffer zal uitpuilen, want er moeten heel veel dikke dingen mee. Een dikke skibroek voor Max, dikke laarzen voor allemaal, dikke sokken en thermoonderbroeken (althans: als de schappen bij de Hema vanmiddag nog niet leeg zijn…). Ik overweeg op dit moment ook nog of ik mijn schaatsen mee zal nemen.

Dat wordt proppen.

En dan heb ik de vijf mutsen en de sjaalkragen in verschillende kleuren die mijn moeder allemaal voor mij heeft gemaakt, nog niet eens meegeteld. Voor iedere winterse outfit heb ik het passende hoofddeksel.

Gelukkig kan ik die dus nu weer eens te voorschijn toveren.

Wie dat niet kan – schiet dan op! Koop een muts! En als je ze niet meer kan vinden, brei er dus maar snel eentje! Voor jezelf, maar vooral voor je kind! Vergeet de regen en de milde windjes – Duitse en siberische ijzige luchtstromen waaien deze kant op.

Dus wees voorbereid!

Zieht euch warm an!

Melkzuur

Als ik uit bad wil komen, moet ik me weer optrekken aan de kraan. Als ik de trap neem, vertrekken mijn gezichtsspieren bij iedere stap. En als ik iets opraap van de grond, dan lijkt het wel alsof die dikke zwangere buik er nog steeds zit.

Waar dat aan ligt? Ik heb gesport.

En dat hakte erin.

Ergens – begin vorig jaar, in een ver verleden – was ik een ranke en actieve amazone die regelmatig op de fiets zat en makkelijk een sprintje naar een trein kon trekken. Toen het buikje met Lotta erin steeds verder naar voren groeide, staakte ik alle sportieve inspanningen. (Behalve dat ene ritje op de racefiets, waar ik eerder over schreef).

Mijn benen transformeerden in het laatste kwartaal van 2011 tot twee met vocht gevulde puddinkjes en hoe het met mijn conditie was gesteld, wilde ik liever niet meer weten. Alles wat er aan beweging nog uitkwam, had te maken met minimale buigingen van ledematen, bij voorkeur in een horizontale houding. Sport kon je dat in ieder geval niet noemen.

Maar nu – meer dan zes weken later is de kraamtijd ook echt officieel voorbij, en bovendien voel ik me al minstens drie weken weer redelijk fit – kon ik er niet meer omheen: er moet en zal weer getraind worden.

Waarom?

Ten eerste: omdat er toch nog wat kilo’s af moeten, wil ik weer definitief op mijn oude ‘ik’ lijken. Borstvoeding helpt een beetje, maar zorgt toch echt niet voor een strakker lijf.

Ten tweede – en dat is in dit geval veel belangrijker – gaan we midden maart een weekje skiën. En dan moeten mijn benen, mijn armen en mijn buik het weer doen. Anders kan ik niet eens van de blauwe piste af.

Aangezien het buiten te koud is om te fietsen en ik bovendien nog moeilijk weg kan bij mijn baby, ben ik begonnen met een sportapp. Ik heb de categorie ‘get strong’ gekozen en moet me nu dus door een tiental oefeningen worstelen. Waarbij een vrouwelijke stem me aanmoedigt en hoopvol roept: “15 seconds, come on, you can do it!”.

Dat helpt, kan ik jullie vertellen. Ik heb me een slag in de rondte gesprongen en gedanst en gerekt afgelopen zaterdag. Op één oefening na lukte het allemaal. Maar nu heb ik het melkzuur dus niet alleen op mijn schouder liggen, maar giert het ook al twee dagen door al mijn lichaamsdelen.

Ik weet weer wat spierpijn is.

De eerste ‘reward’ heeft de app mij al toegekend, voor het allereerste half uurtje trainen.

Nog 10 keer sporten en dan ben ik ‘champion’. En 35 trainingseenheden verder mag ik mezelf een ‘Young Gun’ noemen.

Dat lijkt me voldoende motivatie.

2011/2012

Misschien is het wat laat. Maar so what, ik maak nu pas de balans op van 2011. Omdat het oude jaar ook moet bezinken, omdat we er een baby bij hebben en gewoon omdat ik last heb van uitstellend gedrag. Dat krijg je met verlof. Dingen die vandaag op je lijst staan, schuif je makkelijk weer door naar morgen. Want ja, dan ben ik dus ook thuis.

Hoe anders was dat het afgelopen jaar. Ik kan het me amper nog herinneren nu ik in een soort van sabbatical vertoef, maar 2011 stond vooral in het teken van werk, werk, werk.

1. Ik begin in januari 2011 als eindredacteur bij RTV Utrecht. Een tijdelijke functie van 9 maanden. Waar ik een volledige long term functie van had kunnen maken. Als ik had gewild. 36 uur met één kind en reistijd van meestal meer dan een uur (twee dus per dag) – dat is nog te doen.

2. Maar vanaf maart wordt duidelijk: nummer 2 komt eraan. Gewenst, gewild, verwacht. En dus is het besluit makkelijk; na die 9 maanden ga ik door als verslaggever en inval-eindredacteur. En dus terug naar 24 uur werken. Maar dat zou pas vanaf oktober weer ingaan.

3. Geen probleem – want in de tussentijd vind ik de nieuwe baan alleen maar leuker. Beslissingen nemen, leidinggevenden die nu collega’s zijn, mensen en tv- of radioitems aansturen en beoordelen, dat is echt heel erg leuk werk. Blij dat ik daarvoor was uitgekozen. Echt.

4. Ook al wordt het vanaf april/mei een stuk pittiger. Dan krijgt ook vriend J. een fantastische kans: in Amsterdam aan de slag bij een groot bedrijf, gedetacheerd. Daar ga je dus op één dag niet heen- en weerrijden vanuit de Achterhoek. En dus transformeer ik niet alleen tot een fulltime werkende moeder, maar ook nog eens eentje die niet zonder oppas kan. Die vind ik gelukkig snel via Marktplaats. Een betrouwbare studente die alle uurtjes overneemt waarin ik er niet ben. Bij avonddiensten komt ze om met Max te eten en hem in bed te stoppen. Bij ochtenddiensten (wegrijden om 4 uur ’s ochtends) blijft ze slapen en brengt ze hem naar onze gastouder. En Max? Die vindt het allemaal heel leuk eigenlijk.

5. Van mei tot en met september is het dus aanpoten. Maar er is geen moment dat ik met tegenzin naar mijn werk ga. In tegendeel: ik leer alles van een andere kant kennen. Bovendien heb ik nog mijn vorderende zwangerschap. Stiekem genieten van nieuw leven, op mijn bureaustoel. En me langzaam verheugen dat ik vanaf oktober ook weer naar buiten mag.

6. Oktober is de maand waarin alles langzaam in een rustiger vaarwater komt. 12 uur minder werken, een dag vaker thuis, de bolle buik voor me uitdragend en met de camera weer achterin de auto. In mijn eentje reportages maken en monteren – gelukkig ben ik dat niet verleerd. En voor de afwisseling af en toe een dag binnen als eindredacteur.

7. November: Vriend J. keert weer terug naar huis, het wordt ouderwets gezellig en knus. Dat wordt nog eens onderstreept door de niet uit te bannen nesteldrang, likjes verf op de muur en meters stof die door de naaimachine ratelen. Ik – we – zijn er klaar voor. Bijna.

8. Want we moeten wachten tot 1 december. Dan wordt Lotta geboren. Ze is er heel snel, ze is lief, ze is rustig en gezond. We genieten. En dat blijft de rest van het jaar eigenlijk zo. Vlak voor kerst voelen we ons alweer zo goed dat we bijna overwegen om opnieuw naar Berlijn te gaan, zoals ieder jaar rond deze tijd. Maar ze is nog wel heel erg klein en dus besluiten we het jaar met een half uur durende vuurwerkshow van onze buurman.

En nu? Is het nog even rustig als in december. Tijd voor nieuwe plannen. Ook al ben ik bewust nog tot eind april vrij, ik hou niet van stilzitten.

De nieuwe buitenkant van mijn agenda is af (in de traditie van alle voorgaande jaren) en de binnenkant ga ik nu langzaam vullen.

Eind januari: een week Berlijn.

Eind maart: een week wintersport in de Zwitserse Alpen.

Op de lijst: opnieuw een gastcollege in Groningen, bij de master radio- en televisiejournalistiek.

Eind april/begin mei: weer aan de slag met statief en camera.

En de rest van het jaar? Daar verzinnen wij nu iets op. Alle tijd om te gekke en spannende plannen te maken.

En uit te voeren.

Keep you posted.