Bergkinderen

Het sneeuwt. De laarzen zijn van hard plastic, met rode sluitingen die je iets te strak kan aanspannen.

De jassen zijn dik, dikker, dikst. Ze moeten een helm op. En een duik-, oh nee, skibril. De rand drukt zwaar op de kleine neusjes, hun gezichtjes zijn voor twee derde bedekt. Ze kunnen nog net ‘pap’ zeggen.

En dan zijn we nog niet eens klaar. Als de deur open gaat, moeten ook nog de handschoenen aan. We gaan een enorme bult op, en dat je dan alleen de tenen van de skischoenen in de sneeuw moet rammen, dat is aan kinderen van 4 en bijna 4 niet uit te leggen.

Ze strompelen naar boven. ‘Ik wil niet meer!!!’, schreeuwt de eerste. ‘Ik kan niet meer!!!’, huilt de tweede.

Even later zijn we vol goede moed op weg naar de skischool. Ze zitten inmiddels op de slee en kijken best blij rond.

Duurt vijf minuten.

‘Aaaaaaauuuuuuw!’

Een voetje is onder de slee terecht gekomen. We moeten een stukje lopen, bergafwaarts haalt de slee ons anders in. ‘Mijn benen zijn moooooeeeee, ik kan niet meer.’

Als het leven tegenvalt, doet alles zeer. Tuurlijk. Begrijpen wij ook wel. En onderdrukken ons Godverdomme-stel-je-niet-zo-aan dat even door het hoofd schiet.

We blijven positief. De sneeuw dwarrelt verder, de weg naar de skischool lijkt eindeloos met twee kinderen die nog niet kunnen skiën. Nog lang voordat de les is begonnen, zijn ze al bekaf.

Halverwege worden we gered door een aardige Zwitser met een sneeuwscooter. Kinderen blij, wij blij.

Die scooter is onze redding. Want echt – zelfs na al deze barre helletochten – willen ze hun ski’s vastklikken en meedoen met de pizzapunt-lessen van juf Marjolein.

Wij vragen nogal wat van onze kinderen. Wonderbaarlijk dat ze uiteindelijk naar huis gaan met een groepsfoto en een medaille.

In het Duits heet dat: ‘zwingen zu ihrem Glück’. Later zijn ze ons hopelijk dankbaar voor al die moeite.

Gastdocent

Het is nog maar even geleden. Ik slof hier met mijn tas vol syllabi over de gangen. Trek een geel-blauwe stoel in de kantine van tafel en schuif aan voor een broodje kroket. Destijds nog een exotische explosie op mijn Duitse tong.

Achter de hoge witte deuren met blauwe handvatten zit ik tussen de bankjes te luisteren naar de docent Engels die mij een Brits correct ‘Winnieh the Pouuuuuuuuh’ probeert te ontlokken.

Ik heb het over 1998, het jaar waarin ik aan mijn studie in Groningen begon.

Nu ben ik dus al veertien jaar ouder en dat feit – plus dat er in al die tijd toch wel iets van mij geworden is, en ik, gelukkig, een eigen vakgebied – camjo – heb weten te beheersen en veroveren – leidt tot een uitnodiging als gastdocent bij de afdeling journalistiek.

In 2011 deed ik het al een keer en nu mocht ik terugkomen. Een goed teken.

Zo voor de klas voel ik me abrupt weer één met de studenten. ‘Ja radio vind ik heel leuk. Maar televisie trekt me ook wel. Nee, ik weet nog niet zeker wat ik wil doen. Regionale televisie? Mwoahhh….ik kijk wel even.’

Ik had ook nog geen idee. Ik had nog niks gezien van omroepland, en ik wist niet waar mij deze opleiding naar toe zou brengen. Op welke halte ik uit zou stappen.

Want net – kort geleden – zat ik toch ook gewoon in die bankjes te luisteren naar de Hilversumse gastdocenten. Iedere les even fascinerend. Ieder voorbeeldje, iedere reportage opende weer tientallen nieuwe mogelijkheden en wegen.

De aantekeningen staan nota bene nog boven in de kast.

Deze keer moet ik in de pauze vragen naar de kolfkamer, en een koelkast – het bewijs dat ik deze generatie definitief achter me heb gelaten. Dat ik niet meer op het bankje zit, maar voor de klas sta.

Nog even en ze zeggen ‘mevrouw’ tegen me. (Maar gelukkig bleef me dat bespaard.)

Ogentest poging 467

Vorig jaar stond een simpele test op het programma. Max zou bij het consultatiebureau naar een lichtbak kijken.

Een saaie lichtbak. Met een ouderwetse theepot, een auto, een vlag en nog wat van dat soort onnozele dingen erop.

Meneer dacht waarschijnlijk: naar zoiets stoms ga ik niet loeren. Voor zoiets saais ga ik niet 5 minuten stil op een stoel zitten. Voor zoiets banaals doe ik niet ook nog een witte bril op. Waarvan één oog ook nog eens dicht is. Ben je mal, waarom zou ik?

Nou, omdat je mama graag wil weten of je ogen ook echt goed zijn. Of ze alles wel goed kunnen zien, zo ver weg. Daarachter, op die lichtbak. Want mama was scheel als kind, en bijziend als tiener en loopt dus al haar hele leven met een bril. En als het kan, wil ze jou dat besparen. Maar dan moet je dus wel op die stoel.

Wilde hij niet.

Na meerdere pogingen was het nu weer zover. En een jongetje dat bijna 4 is en een klein lief zusje heeft en dus voortdurend te horen krijgt dat hij nu al een grote sterke vent is, die gaat toch wel even eindelijk op die kruk plaatsnemen? En al die kleine vlaggetjes, autootjes en theepotjes ontcijferen? OOK op de onderste rij? MET bril op? Ja toch?

Het duurde een heel jaar voordat ons zoontje wijs genoeg bleek om stil te zitten en aanwijzingen op te volgen.

Maar het is gelukt.

De ogen van Max scoren een ruime voldoende.