Update

Het 25-km-karretje was te klein.

En de ploeg is gewoon te slecht.

Ook als ik het niet wil, dan wint Duitsland alsnog.

Sorry. Wat was ik kwaad vanavond, maar het heeft niet geholpen.

Twee zielen

Het is weer zo’n belangrijke Duits-Nederlandse dag.

We gingen vanochtend naar het Duitse Konsulat om een paspoort voor onze dochter aan te vragen. Prima moment, dachten we zo.

De portier (die ons net als op een vliegveld fouilleerde en keek of we echt geen muntjes in onze zakken hadden) was gelaten. Hij was vandaag Nederlander op Duitse bodem, maar dat deerde hem niet. Niet zo leuk, leek mij. “Over een jaar ga ik met pensioen, en over twee dagen zit ik in de zon in Turkije.” Dat was alles wat ie opperde. Geen enkele vijandige voetbalopmerking viel hem te ontlokken.

Dan de meneer achter het glas die al onze papieren in ontvangst nam. Die sprak wel Duits, maar het bleek niet zijn thuisland. “Polen”, antwoordde hij op de vraag waar hij vandaan kwam. 1-1, schoot me meteen te binnen. De man begon te glunderen. Ze zouden echt nog wel gaan winnen de volgende wedstrijd, dat wist hij zeker. “Maar jullie krijgen het moeilijk vanavond.” Of ie mij bedoelde of vriend J. was niet helemaal duidelijk. Ook hij sprak geen voorkeur uit.

Toen we weer naar buiten kwamen (de portier hield de deur nog even voor ons open; dat hoort zo als je met een kinderwagen op stap bent), was er dan toch nog een leuke verrassing. Een 25 km-karretje, van dak tot wiel gehuld in oranje. De lampen van het wagentje wezen exact richting – jawel – de deur van het Duitse Konsulat. Hier had iemand goed over nagedacht. Veel moeite voor gedaan. Een goeie mop, een vriendschappelijk gebaar haast; reden voor ons en ook de portier om van oor tot oor te glunderen.

Nee, die echte oude wrevel van vroeger, die is verdwenen, dat schreef ook Joris Luyendijk vandaag in een prachtig doordachte analyse.

En nu – terwijl de volksliederen al klinken op het groene veld – staan er twee teams die allebei van mij zijn. Twee zielen – eentje wit/zwart en eentje oranje. En die laatste wint het vandaag van de eerste. Bij mij althans.

Ze moeten simpelweg allebei door. Ik wil niet dat Nederland er na vanavond al uit ligt. En daarom gaat Duitsland niet winnen.

Alleen van Denemarken. Dat dan weer wel.

En dan zien we weer verder.

Wat ik allemaal zal missen

We sorteren. Ruimen op. En ordenen de to-do-lijsten in ons hoofd iedere dag opnieuw.

En terwijl we dat doen, beseffen we dat we straks zonder een aantal erg goede handige en mooie Nederlandse dingen moeten overleven. Een opsomming.

  • De Hema. Eigenlijk weet ik niet zo goed wat ik zonder moet. Ook als ik niks nodig heb – ik loop binnen, draai één keer om mijn as en zie een fantastisch handig frutsel voor weinig geld. Traktaties voor kinderverjaardagen – die ga ik waarschijnlijk van tevoren inslaan, want daar kan ik Duitse moeders vreselijk jaloers mee krijgen. Knutselpakketten voor ringen of armbanden, boekjes, kleine kadootjes, dingen waarvan je niet wist dat ze ooit van pas zouden komen – en dat allemaal voor een habbekrats. Zoveel smaak en design voor zo weinig geld; daar bestaat geen Duits equivalent voor.
  • Onze buren. Ze hebben vier kinderen en glimlachen altijd. En dan bedoel ik dus echt: altijd! Ik weet niet hoe ze het voor elkaar krijgen om zo’n ontspannen leven te leiden, maar ik mag daar te allen tijde naar binnen hollen en ze ook nog eens met een extra kind opzadelen als ik in de knel kom. Geen enkel probleem. Of zulke buren in Berlijn ook bestaan? Ik hoop het maar.
  • In het verlengde daarvan: onze straat. Er wonen hier 27 kinderen. Van alle leeftijden. Die crossen hier voor de deur altijd kriskras door elkaar. Lenen elkaars tractoren, skelters en fietsen. En klepperen bij iedere brievenbus om snoepjes te vragen of elkaars treinen- of poppencollecties te bewonderen. Alle kinderen zijn welkom bij iedereen. Dat leidt ertoe dat het met een stuk of vijf jongens in de woonkamer af en toe best een beestenboel wordt. Maar kinderen spelen het liefst met andere kinderen – en dat wordt hier nagenoeg perfect doorgevoerd. Grasvelden voor de deur, speeltuinen om de hoek en wenig auto’s die gevaarlijk zouden kunnen zijn. Overal eten en drinken. En dan uren later vies thuis komen. Paradijselijk. Eigenlijk.
  • De Nederlandse gelatenheid. Duitse ouders zijn streng. Duitse ouders zijn opgeruimd. Precies. Op tijd. Duitse ouders dragen praktische kleding en fietshelmen. Duitse kindjes dragen ook fietshelmen. En het liefst ook andere beschermers; op ieder uitstekend bot zit een een hard stuk plastic zodat de huid en het weefsel eronder beschermd blijven. Duitse ouders zijn dus extreem voorzichtig. En dat is irritant. Denk ik.
  • Mijn collega’s. Als we niet naar Berlijn zouden vertrekken, had ik mijn werk bij RTV Utrecht niet gauw opgezegd. Je mag er alles: nieuwe ideeën inbrengen, uitvoeren. TV en radio maken; en dat ook nog eens met de leukste mensen die er zijn. Het is één grote middelbare schoolklas. We steken de draak met elkaar, maken ruzie, sparren over ideeën en als het hard op hard gaat, hebben we begrip voor elkaar. Naast mijn eigen gezin is dit een goede tweede comfort zone. Die ik nu voorlopig ga verlaten. En inruil voor moordende freelancers-concurrentie. 
  • Onze vrienden. Al spreken we daar meteen mee af dat ze ons maar zo vaak mogelijk moeten opzoeken. Voortaan kunnen we dus hele weekenden van hen genieten. En hen de stad laten zien die we zo leuk vinden. 

Ongetwijfeld is de lijst over een maand nog langer. To be continued. 

We krijgen er heel veel voor terug, zullen we maar zeggen.