Deutsche Sprache, schwere Sprache

Max spreekt Duits.

Deutsch. Dus. Also.

Sinds eergister, om precies te zijn.

Zo vanzelfsprekend als het leest, is het niet. Zelfs niet als je met twee talen opgroeit, zoals onze kinderen. Want de eerste drie weken hier sprak hij dus voor 300% Nederlands. Daar week hij geen enkel moment van af. En dat terwijl ik toch zeker weet dat hij het kán. Toen we in April voor het laatst op bezoek waren bij oma en opa hier tegenover – toen sprak hij na één week perfect Duits.

Ik verwachtte het wel. Dat hij – op het moment dat hij buiten komt, andere kinderen ontmoet, andere volwassenen ziet – helemaal dicht zou slaan. Niet ongewoon voor een jongen van 4 die net van Nederland naar Duitsland is verhuisd.

Tegen ons praat hij voluit; enthousiast, aan de lopende band, hij heeft altijd verhalen. Tegen anderen – mwa. Ook in Nederland kon hij erg verlegen doen als mensen langs kwamen die hij niet kende of niet zo vaak zag.

En al praat ik sinds zijn geboorte volledig Duits tegen hem: hij antwoordt steevast in het Nederlands. Prima. Mits hij maar met mijn ouders en zijn eigen overgrootmoeder kan kletsen; dat leek me wel belangrijk.

Alles is nu anders.

Zijn vriendjes uit de straat zijn onzichtbaar geworden.

Zijn oppasmoeder is niet meeverhuisd (zeer tegen de zin van Max; volgens hem had ze prima bij ons kunnen wonen).

De bekende weg naar de supermarkt – weg.

Fietsen naar de binnenstad – ineens ziet dat er heel anders uit.

En wat doe je dan, als alles weg is wat je tot nu toe gewend was?

Juist. De taal die je tot nu toe sprak, die geef je niet zomaar op. Daar klamp je je aan vast. Want ze verstaan het heus wel, die Duitsers. Gewoon volhouden. Niet opgeven. Die Nederlandse woorden zitten in zijn brein en liggen dus ook op zijn tong. En daarom verlaten die ook nog steeds het allerliefst zijn lippen.

En hangen dan in de lucht om opgevangen te worden door Duitse oren. Die er iets van proberen te breien. Wat vaak lukt, maar dus niet altijd.

En daarom besloot ons zoontje blijkbaar afgelopen weekend dat het maar eens klaar moest zijn met dat Nederlandse gekeuvel. Best gezellig, maar niet als je al die verhalen over auto’s en treinen wilt delen met de grote en kleine Duitse mensen. Dan zul je toch echt zo af en toe de Duitse taal moeten gebruiken.

Maar de Nederlandse opgeven?

Nee.

En dat willen we ook helemaal niet.

Gewoon lekker allebei. Het zal vast nog een tijdje duren – maar dan kun je ons zoontje op elke mogelijke manier aanspreken. En dan heeft hij altijd een antwoord.

Wellicht dus ook in het Duits, dus ga maar vast bijspijkeren.

Berliner Sommersonnenschein

Daar was ie. Een zomerzonnige zondag. Eindelijk.

Na al het sjouwen, uitpakken, nadenken en organiseren lieten we de boel de boel en begonnen aan ons dit-is-leuk-en-dus-gaan-we-het-doen-lijstje. Genieten van het leven.

Erste Anlaufstelle: Mauerpark.

Ik wist dat dit een magneet is. Voor Jan en alleman, maar vooral voor alle toeristen. Maar ik had het park nog nooit zo vol gezien. Ik ben er eerder geweest, vaker zelfs, maar toen was er steeds maar een enkel kleedje met een zonaanbidder erop.

Op zondag verandert deze groenstrook in een speelweide met rommelmarkt en een open air karaokebar. Terwijl dit vroeger gewoon braakliggend terrein tussen Prenzlauer Berg (Oost) en Wedding (West) was. Doorkruist door een muur en voor niemand bijzonder interessant. Eigenlijk heeft het ook nu weinig weg van een klassiek park. Het is meer een doorgangsweg tussen twee verschillende wijken.

Met een rommelmarkt waar geen doorkomen aan is. Althans – niet als je met een jongen van 4 en een baby op stap bent. En toch: er zijn prachtige dingen te koop; ik kwam vanwege de drukte maar tot de derde stand, maar heb toch een prachtig Kleinod (=hebbedingetje) veroverd van de Unikatkantine.

Je hoort er bovendien alle talen van de wereld. Je kan crashen in café Mauersegler (ook in de winter open) of in café Schönwetter in een strandstoel onderuitzakken.

Je moet dan wel Bargeld hebben. Cash. Op zak. Want pinnen – dat is allesbehalve gewoon in Berlijn. In heel veel cafés kun je nog steeds alleen maar met muntjes en papiergeld betalen; je bankkaart is er weinig waard. En als je het uit de muur wilt trekken – dan zijn er helaas weinig geldautomaten. En wel heel veel mensen die er eentje nodig hebben. Dus duurt het even voordat je je geld in ontvangst kan nemen.

Maar de zon maakte vandaag alles goed. En de robot die op luchtdruk werkt. In elkaar gezet door een ingenieus mannetje die hem al jaren tot leven wekt met een afstandbediening. Een schouwspel voor volwassenen en kinderen – en daar geef je terecht wat extra kleingeld voor.

De Oderberger Strasse ligt even verderop en is nu een walhalla voor toeristen die in pittoreske cafeetjes een Milchkaffee willen drinken en Waffeln willen eten. Een paar jaar geleden liep ik hier nog tussen de grijze huizen. Met kogelgaten. Inmiddels stralen hier roze en lichtgeel-met-wit gerestaureerde klassieke panden; prachtig, maar de geschiedenis is ver te zoeken. Die vind je misschien nog een beetje in de retro meubelzaken zoals VEB Orange, een verbastering van de oude volkseigen bedrijven in de DDR. En her en der zijn er nog oude grijze panden, vervallen. Je moet ze goed bestuderen, want ook die zullen verdwijnen.

Met de tram gingen we uiteindelijk verder. Naar één van onze lievelingsplekken aan de oever van de  Spree. Het Monbijoupark. Vlakbij de grote musea, dichtbij een heleboel leuke winkels, dus ook hier stikt het van de toeristen. Maar die zijn gematigder. Rustiger. Ze gedragen zich onopvallend. Gaan op tussen de tangodansers die in de Strandbar Mitte iedere zondag hun ‘Tanzbein schwingen’.

Een paar jaar geleden was hier nog echt een strand. Met korreltjes tussen de tenen en cocktails. Het zand is verdwenen; wat ik aanvankelijk erg jammer vond. Maar de sfeer is gebleven. Palmbomen, een dansvloer, lekkere pizza uit de steenoven, drankjes, even verderop een grote speeltuin, een openbaar zwembad voor kleine kinderen, daarnaast een amfitheater, een basketbalveld, een voetbalveld en een beachvolleybalveld. Alles op één minuut loopafstand van elkaar. De S-Bahn rijdt af en aan boven op de brug – hier kun je gewoon verder niets meer aan toevoegen. Ultiem genot. Meer dan dit heb je niet nodig.

Wij niet in ieder geval.

En ook onze kinderen niet. Die vielen na zoveel indrukken als een blok om 8 uur in slaap.

Waarom we ook alweer naar Berlijn zijn verhuisd?

Voor dit soort dagen dus. Heerlijk.

Angekommen

We zijn er.

Vier dagen inpakken met de allerliefste schoonouders (want wie wil nou bij zoiets helpen, wees eerlijk. Nou, zij wilden dat dus.)

Één ochtend de vrachtwagen inladen met zwager A. en neef R. Die laatste ging hem halverwege de dag ook besturen, dus ook zonder hem waren we er nooit gekomen.

Aankomst in Berlijn: 23.15 uur.

Terwijl moeders de vrouw vrij naar het motto ‘Vrouwen en kinderen eerst’ rustig en gezellig met de trein naar de hoofdstad banjerde.

Volgende ochtend: alles uitladen.

En dan om half twee meteen weer terug; de vrachtwagen inleveren.

Boven in onze woning kwamen we erachter dat het belangrijkste doosje met alle schroeven nog in een lege kamer was achtergebleven. En dus konden de meubels pas twee dagen later in elkaar worden gezet. Gelukkig was daar nog ‘Hotel Mama’ waar we de eerste drie nachten mochten logeren.

En wederom dezelfde schoonouders die eigenlijk hun vakantie aan ons opofferden. Met hun caravan trokken ze naar een camping in de buurt om regelmatig aan te komen waaien en te helpen met uitpakken, ophangen, schoonmaken, inrichten, sorteren, weggooien en nog meer van dat soort verhuisperikelen.

En toen? Ja, toen sliepen we ineens ergens anders.

In een andere stad. In een ander land.

Bekend en bemind, maar als je er dan bent – is het toch weer zo anders.

We zijn weer aan de slag; het alledaagse begint.

Max went op de kinderopvang.

Wij wennen aan ons nieuwe uitzicht.

Aan de bouwmarkten.

Aan de Ämter (alle Berlijnse instanties; die we voor van alles en nog wat nodig hebben. En die van ons van alles en nog wat nodig hebben. Vooral formulieren.)

Aan de stoplichten.

Aan de opstoppingen.

Ik wen ook aan mijn nieuwe bestaan als freelancer (waar te beginnen eigenlijk?).

De ficus went aan zijn nieuwe plek bij het raam (en verliest eerst nog even wat blaadjes).

En Lotta is eigenlijk overal al aan gewend. Handig, die baby’s.

Hopelijk zijn de to-do-lijsten met serieuze zaken snel afgewerkt.

Dan kunnen we eindelijk beginnen aan onze Berlijn-lijst.

Want er is nog zoveel geweldigs te zien en te doen!

We zijn er!

Nieuwe deuren

Het is maandag. En ik hoef niet naar mijn werk.

Omdat ik geen werk meer heb.

Eigen schuld, dikke bult, want ik heb zelf mijn baan opgezegd. Om dozen in te kunnen pakken en te vertrekken.

Beetje jammer is dat natuurlijk wel. Zes-en-een-half jaar lang was RTV Utrecht mijn thuisbasis. En nu moet ik ineens in mijn eentje verder, zonder een warm redactiebad, waarin het altijd aangenaam poedelen was. Vertrouwd. Waar ik iedereen kende en iedereen mij. Waar je vaak aan een half woord genoeg had (Of aan één lach. Of meerdere.).

Daar heb ik geleerd wat ik nu allemaal kan. En ik kan genoeg om me ook in mijn eentje te redden qua werk. Dat weet ik heus wel; anders had ik de stap naar de grote stad helemaal niet gewaagd.

Toch is het gek dat er nu een extra sleutel aan mijn bos hangt.

Eentje die toegang verleent tot een bekende, maar toch ook hele andere wereld.

Geen tuin meer, maar een balkon. Geen A12 meer naar Utrecht, maar stoplichten en de S-Bahn. Geen Nederlandse biertjes meer, maar grote pullen. Minder fietsen en meer lopen. Geen vertrouwde gezichten meer aan de vergadertafel, maar concurrenten. Geen Nederlands, maar Duits. Geen jij, maar u.

Een paar dagen nog; de meeste kasten zijn al leeg.

En gelukkig ben ik helemaal niet alleen, mijn fijne gezin gaat helemaal met mij mee. Wij zijn het constante team dat nu gewoon elders zijn tent opslaat.

We hebben lijstjes met leuke dingen. Héél veel leuke dingen.

En daar hebben we heel veel zin in.

Tot in Berlijn!