Wachtkamerpret

Eigenlijk wilde ik een leuk stukje schrijven over Sinterklaas. In Berlijn.

Maar vandaag moest ik naar de kinderarts. Baby met koorts is nooit leuk en naar de arts nog minder, maar voor de zekerheid wilde ik toch maar even om advies vragen.

Ik had nog vaag iets in mijn hoofd. Hoe het vroeger ging toen ik zelf met mijn moeder bij de arts of het ziekenhuis zat. Dat we dan lang moesten wachten. Minstens de hele ochtend ervoor uit moesten trekken, hele tritsen boeken meenemen zodat het nog een beetje leuk bleef voor mij.

Die gedachte liet ik even voor wat ie was, want dat was maar liefst 25 jaar geleden.

Ik had blijkbaar beter voorbereid kunnen zijn op het tafereel dat zich mij bood toen ik de deur van de kinderarts opendeed. De voorkamer zat namelijk vol. Vol met ouders en hun kinderen. Achter de voorkamer zat de gewone wachtkamer, en ik moest al even mijn best doen om daar om de hoek te kunnen kijken.

Vol. Ieder plekje bezet. Eén papa leunde tegen het kledingrek, staand. Want een lege stoel – die was nergens meer te zien. In de gang van de voorkamer naar de wachtkamer zaten zelfs mensen op de grond. En zat daar in het trappenhuis net niet een moeder die haar baby borstvoeding gaf? Nog voordat ik überhaupt de deur had geopend?

Jawel, dat had ik dus goed gezien.

Daar sta je dan, met je eigen koortsige baby van bijna 1.

Terwijl ik in ieder geval even de geboortedatum van Lotta doorgaf en de assistente achter de balie onze gegevens op een ouderwetse registerkaart invulde, hoorde ik twee moeders tegen elkaar praten. Hoe lang zij hier al zit, vroeg de één. “Seit zehn”, was het antwoord.

Ik dacht nog even: ze bedoelt waarschijnlijk 10 minuten. En de mevrouw die het vroeg ook, want ze herhaalde haar vraag. “Seit 10 Uhr”, zei ze toen, vanaf 10 uur ’s ochtends. Voor de zekerheid keek ik nog maar even op de klok boven de balie: het was inmiddels 12.15 uur.

Het zweet parelde al over mijn rug. Het leek hier verdomd veel op een sauna. Of een tropisch oerwoud; in een kooi bij de balie produceerden parkieten het passende geluid erbij. De verwarming hadden ze voor de kleintjes blijkbaar lekker hoog gezet – maar ja, als er dan zo’n 40 mensen bijkomen, wordt het wel een beetje te heet.

En ik besloot dus op dat moment: geen haar op mijn hoofd dat hier ook maar één minuut langer gaat wachten. Ik probeerde de (aardige) assistente nog even te polsen of ze hier iets voor het Nederlandse model voelden: een afspraak maken en dan pas langs komen. Maar mijn vraag begreep ze niet zo goed. Als je kind ’s ochtends ineens ziek is, dan kun je toch geen afspraak meer maken? Dan moet je toch meteen langs komen? Nou, in Nederland hoeft dat dus niet, maar ik was te verbijsterd om haar dat uit te leggen.

Duitsland is een rijk land.

Een sterke economie.

En je betaalt een aardig centje voor je ziekenfondsverzekering. Minstens zo’n 300 euro per maand, meestal meer.

Die wachtkamer vandaag – daar begrijp ik dus echt helemaal niks van.

En dat terwijl ik weet dat Duitsers 18 keer per jaar naar de huisarts rennen, en Nederlanders dat maar zes keer doen (is uitgezocht, kijk dit maar). Het is dus voller. Maar zo vol?

Mijn kind zou twee uur later zieker zijn dan toen we naar binnen gingen.

En daarom ging ik maar weer naar huis. Boos.

Misschien was het omdat het maandag is.

Misschien omdat het november is.

Misschien omdat deze ene praktijk haar zaakjes niet op orde heeft.

Morgen probeer ik het weer. Maar ik zal eerst gaan bellen en vragen hoeveel mensen de assistente op dit moment in haar voorkamer telt.

(De foto boven is trouwens niet van vandaag; de mensen met hun kinderen zomaar met mijn telefoon vastleggen durfde ik niet. Mag ook niet, vandaar een plaatje uit de jaren 90, gok ik zo.)

School

Iedere dinsdag is het schooldag.

Niks bijzonders wellicht, maar voor een 4-jarig jongetje dat tegenwoordig overgeheveld is naar Duitsland, is dat hier best wel apart.

Kinderen gaan in Duitsland namelijk pas naar school als ze 6 zijn. De tijd daarvoor brengen ze ook niet door in een kleuterschool, maar in een ‘Kita’.
(Dat woord vond ik een paar maanden geleden nog superstom, maar een mens went zoals bekend aan alles en inmiddels is het ook uit mijn mond vaker te horen dan me ooit lief was. ‘Kita’ is de korte vorm voor ‘Kindertagesstätte’. En dat is weer een erg lange bewoording voor ‘Kindergarten’, zoals het in mijn tijd nog gewoon heette.)

Kinderopvang dus.
Geen school.

Ze kunnen er heerlijk spelen. Krijgen vriendjes. Kunnen klimmen, dollen, leren liedjes, gaan samen handen wassen, samen eten, samen knutselen, samen boekjes kijken. Maken iedere week een ‘Ausflug’ (een kort uitstapje naar het bos, één halte met de S-Bahn, of alleen naar de volgende nieuwe speeltuin – hoe klein en kort het uitstapje ook is – voor kinderen is het een groot avontuur). Soms hebben ze zelfs een stagiaire die Nederlandse liedjes kan zingen, omdat ze er voor een deel is opgegroeid. Dat kan allemaal.

Althans, wel in onze Kita. Waar ik heel blij mee ben. Waar de groepen klein zijn en alles vrij overzichtelijk. Waar de ouders elkaar goed kennen en dus makkelijk met elkaar omgaan. Waar ieder kind persoonlijke aandacht krijgt, omdat daar de tijd en ook de ruimte voor is.

En toch, en toch – zou het niet al leuk zijn als Max gewoon ook al wat letters zou leren? Stil zitten in een klasje? Taken en opdrachten zou krijgen? Dingen die hij nu al lang zou doen als we in Nederland waren gebleven?

Nou, dat kan dus. Op mijn zoektocht naar Sinterklaas in Berlijn (en die bestaat, daarover meer in het volgende blog), stuitte ik via de website van de Nederlandse ambassade op een boeiende link: De Nederlandse school.

Die bestaat dus. In Berlijn. En die is exact zoals ie klinkt: lessen voor kinderen van 4 tot 12, met Nederlandse juffen en meesters, met een lesrooster, met schoolreisjes, met Koninginnedag, met rapporten en zelfs de CITO-toets.

Je kunt er alleen niet iedere dag naar toe, maar één keer per week een paar uurtjes. En dus reist Max nu iedere dinsdag zo’n beetje door de hele stad om in een mooi oud rood schoolgebouw les te krijgen van juf Marion. In het Nederlands, met andere Duits-Nederlandse kinderen wiens ouders ook ooit zin hadden in een internationale relatie en waar al die jongens en meisjes in de groepen het resultaat van zijn.

In de schoolgids staat dat ze volgens de Nederlandse manier letters leren. Iedere maand één. En na Max’ eerste ‘les’ merkte ik al een duidelijk verschil met de kinderopvang. Ze hadden lettergrepen geklapt. En moesten dan invullen hoeveel lettergrepen ze hadden gehoord. Of onderstrepen wat het eerste woord in een zin is.

Geen denken aan bij de Duitse kinderopvang. Duitsers gruwen ervan als kinderen vroeg iets ‘moeten’ leren. Want zo zien ze dat. Ze moeten zo lang mogelijk klein blijven. Letters leren kinderen hier vrij laat. En langzaam. De afgelopen jaren wil de overheid stimuleren dat kinderen met 5 ook al naar school kunnen. Maar de meeste ouders vinden dat idee vreselijk. En verzetten zich daartegen. Vragen regelmatig om uitstel van een jaar.

Max vindt het tof. Voor zover ik dat kan beoordelen, want ouders zijn er natuurlijk niet bij in de les. Hij zet zijn werkmap bij binnenkomst meteen op het plankje dat daarvoor bedoeld is. Hij heeft een etui met zijn eigen pennen en een schaar. En dat legt hij al vanzelfsprekend naast die van de andere kinderen. Hij gaat op een stoel zitten. Aanschuiven aan een tafel. En luisteren naar de opdrachten.

Hoe hij het doet, weet ik nog niet precies. Of hij de strepen op de blaadjes echt allemaal zelf zet, of hij de rondjes allemaal zelf inkleurt – maar ik denk toch van wel. Na drie lessen ben ik al onder de indruk.

En dat zullen oma en opa in Nederland ook zijn als we met Kerst gewoon een Nederlands rapport kunnen laten zien. Van een Nederlandse school. Ook al wonen we in Berlijn.

Soms is de wereld echt helemaal te gek.

Dark Room

“Maar wat zie je nou eigenlijk in een darkroom?” Die vraag stelde ik zo’n zeven jaar geleden aan mijn waarde collega’s bij KRO Reporter. Allemaal kerels, allemaal hetero, maar toch lachten ze me vierkant uit. Hoe we op het onderwerp kwamen – daar is een grote mistige wolk overheen getrokken, dus geen idee meer.

Nog steeds vind ik het wel een legitieme vraag. Ik ben nog nooit binnen geweest; en ik zal er niet komen ook. Ongetwijfeld is het er niet helemaal pikzwart, dus je ziet vast wel iets.

Bon – eigenlijk heb ik hier jaren niet over na gedacht en het gaat helemaal niet over de inhoud. Ik heb nooit een antwoord gekregen en er ook niet meer naar gezocht.

Maar nu kwam ik mijn eigen zin gisteravond ineens weer tegen.

In een boek.

In een spannende thriller die sinds een paar maanden in de Nederlandse boekenwinkels ligt.

Nou zou je kunnen zeggen; da’s natuurlijk stom toeval. Die vraag heeft iemand anders vast ook al eens gesteld, ik zal niet het enige domme gansje zijn.

In dit geval is de schrijver een oude bekende: mijn bloedeigen eindredacteur destijds, de baas van de Reporterfamilie. Die van de KRO inmiddels overgestapt is naar de HUMAN. En toen bedacht dat ie alle Amerikaanse thrillers al uit had en nu ook eens zelf eentje wilde schrijven.

Dat deed hij dus.

En inmiddels is ook deel 2 uit.

Een tijdje stond het boek in mijn kast te wachten. Is meeverhuisd van Nederland naar Berlijn, en nu werd het tijd om het te lezen. En die ene zin herkende ik dus meteen. Ik vroeg hem via de digitale ether of ik gelijk had, of de zin echt van mij kwam, en het antwoord was positief.

Vandaar nu een puik stukje reclame. Het is een spannend boek en leest als een trein.

En op pagina 33 krijg ik een vette eervolle vermelding.

Voor mijn domme vragen.