Mijn verhaal over de muur op Berlijnblog.nl

Ik was 10 toen de muur viel. Op mijn 5e kwam ik in 1984 in Berlijn
wonen. Ik ben geboren aan de Oostzee, in Greifswald, waar mijn ouders
studeerden. Destijds gingen heel veel Oost-Duitsers vanuit alle streken
naar de hoofdstad van de DDR; mijn moeder kwam uit het noorden, mijn
vader uit het zuiden. Berlijn was destijds al de plek waar je moest zijn
voor een goede werkplek en dus verhuisden we naar een
2-kamer-appartement met een kolenkachel. Ik herinner me dat het altijd
koud was en dat mijn vader iedere ochtend naar de kelder moest om kolen
te halen. Dat werden mijn ouders snel beu en dus grepen ze de kans
midden jarig 80 om in één van de gloednieuwe Plattenbauten in Marzahn te
gaan wonen. Centrale verwarming en meteen warm water zonder boiler –
dat wilde iedereen wel en dus woonden we daar in totaal 9 jaar, in het
begin nog tussen de zandbergen, met heel veel andere jonge gezinnen. Tot
mijn 19e bleef ik in Berlijn en ging naar de middelbare school in de
wijk Lichtenberg; daarna wilde ik de ‘wijde wereld’ in en dat werd
Nederland.

Wat is je eerste herinnering aan de Berlijnse Muur?

Marzahn ligt ver uit het centrum. Wij woonden ook nog eens aan de rand
van Marzahn, Ahrensfelde, daar waar de stad ophoudt. Het duurt ongeveer
drie kwartier voordat je in de binnenstad bent. Dat er een muur was,
wist ik heel lang helemaal niet. Ik kan me niet herinneren dat ze daar
op school ooit iets over vertelden en ook van mijn ouders hoorde ik er
niets over. Ik was het wel gewend om als klein kind al de S-Bahn te
nemen en naar het werk van mijn moeder te gaan. Zij werkte in de buurt
van Friedrichstrasse, vlak bij de grens. Je moest enorm ver lopen om bij
haar werkplek te komen en na de Wende werd dat makkelijker. Als je één
halte verder uitstapte (destijds Lehrter Stadtbahnhof, nu Hauptbahnhof),
bleek de weg naar haar werk veel korter te zijn. Maar zo ver lopen, dat
had dus met de muur te maken.

Voor de val van de muur heb ik de muur zelf nooit bewust gezien. Mijn
eerste herinnering is pas van februari 1990. Toen gingen we met familie
speciaal naar de muur om te kijken, en foto’s te maken. We wandelden van
de Brandenburger Tor
naar de Rijksdag en ik weet nog dat ik het absurd vond hoe dicht die
twee gebouwen op elkaar stonden. Dat de lijn en dus de muur tussen die
twee zo ongelofelijk smal was. En dat je nu dus zomaar naar die andere
kant kon lopen. Ook al had ik daarvoor geen benul van de muur, ‘m nooit
gezien, ik besefte wel dat er nu iets heel erg anders was dan daarvoor.
Dat je daarvóór een heleboel dingen niet kon doen en vooral ook een
heleboel dingen niet kon kopen. Van dat bezoek begin 1990 zijn er ook
foto’s, niet veel, want mijn ouders voelden zich helemaal niet geroepen
om zomaar in dat ding te gaan hakken. Mauerspechte – dat vonden zij maar
niks. Ze waren al lang blij dat hij weg zou gaan, maar tussen de
menigte gaan staan en er zelf iets uithakken – dat deden ze niet.

Heb je ooit een grensovergang gepasseerd – hoe voelde dat?

Als kind kwam ik nooit in West-Berlijn of West-Duitsland. Terwijl wij
daar wel familie hadden wonen. Ik weet dat mijn moeder eens is
uitgenodigd voor een verjaardag in de buurt van Beckum, en toen haar
aanvraag was goedgekeurd, ging zij in haar eentje. Mijn vader en ik
bleven gewoon thuis. Ook al was ik vrij klein, ik was me er wel degelijk
bewust van dat zij een grens passeert en dat zij naar een ander land
gaat waar wij niet zomaar kunnen komen. Hoe dat komt? Door het
speelgoed. In de late jaren ’80 hadden wij gewoon West-Duitse
televisiezenders en door de reclame wisten alle kinderen wel heel goed
wat je allemaal voor speelgoed kon kopen. En ja, dat was veel
kleurrijker en spannender dan wat bij ons te koop was. Ik wilde niets
liever dan een Barbie, ook omdat één van mijn beste vriendinnen haar
hele kamer vol had liggen met Westers speelgoed, want haar grootouders
woonden in Oostenrijk en stuurden geregeld pakjes op. Zij had de
Westerse versie van Pippi Langkous (dat zijn blauwe boekjes in
Duitsland, nog steeds), terwijl ik de ingekorte witte Oost-Duitse versie
had. Ze had Barbies en ze had knuffels met een rugzakje op die je
helemaal om kon keren, zodat ze in hun eigen tas verdwenen. In fel roze,
blauw, groen. Ik kende de spullen ook van de Intershop, een winkel waar
je West-Duitse spullen kon kopen, maar eerst je geld moest omwisselen.
Mijn overgrootoma ging daar wel eens met mij naar toe en het was een
walhalla. Het rook er ontzettend lekker naar koffie en Haribo en er
waren Monchichis; heel exotisch. Ik wilde het allemaal. Uiteindelijk nam
mijn moeder voor mij een Steffi mee, een nep-Barbie, waar ik ook heel
even teleurgesteld over was. Ze had wel een jurk die licht gaf in het
donker, en dat was wel enorm gaaf, vond ik.

De eerste grensovergang die ik zelf over ging, was op 11 november 1989,
twee dagen nadat de muur was gevallen. Ik ging met mijn vader en mijn
overgrootoma; op weg naar haar twee zussen in West-Berlijn. Volgens mij
was het de grensovergang Invalidenstrasse. Volgens mij waren we te voet
en het ging gewoon heel soepel: we mochten doorlopen nadat we onze
paspoorten hadden laten zien. Ik voelde er niet zo heel veel bij, maar
was me wel degelijk ervan bewust dat dit iets bijzonders was. Dat we nu
naar een wereld gingen die voor ons heel erg onbekend was.

Hoe heeft de Berlijnse Muur je leven beïnvloed?

Niet zozeer de muur, maar het leven in Oost-Duitsland heeft ervoor
gezorgd dat ik met de normen en waarden van het socialisme ben
opgegroeid. Als scholier leerden we bepaalde regels; de liefde voor je
ouders, de dagelijkse reiniging van het lichaam, dat je je best deed met
sporten en dat je altijd je allerbest moet doen op school – dat waren
dingen die je niet alleen vanuit huis meekreeg, maar waar de staat
letterlijk invloed op uitoefende. Ik werd Jungpionier en Thälmannpionier
(jeugdverenigingen waar je je eigenlijk niet aan kon onttrekken en die
vooral symboolkarakter hadden), ik streefde er naar om mijn
schoolrapport voor de hele school uitgereikt te krijgen. Een streber was
ik; en dat was precies wat de staat je ook inpeperde. Hoe je moest
zijn. Ik was een voorbeeldige leerling, ik kreeg buttons opgespeld voor
‘Gutes Sozialistisches Lernen in der Schule’ en daar was ik trots op.
Wat het allemaal echt betekende – dat had ik op die leeftijd natuurlijk
niet door.

Voor onze familie was het wel vanzelfsprekend dat we in dit land
woonden. We kenden het niet anders. Mijn overgrootoma is met mijn oma na
de oorlog gevlucht uit wat destijds Duitsland was en nu Polen (Pommern)
en alles wat de DDR te bieden had, was voor hen een ongekende luxe.
Warm water, fijne woningen, wasmachines, genoeg te eten – dingen die het
leven veel makkelijker maakten dan het daarvoor ooit was geweest.
Iedereen had werk, alles was op zich prima geregeld. De donkere kanten
van de dictatuur voelden wij amper. Mijn ouders wel, zij waren 30 toen
de muur viel en zij zagen ook aankomen dat de staat het niet langer meer
zou volhouden. De economie was op, de argumenten van de politici waren
alleen nog maar façade – en zij voelden dat feilloos aan. Toch was deze
staat ons thuis.

Twee zussen van mijn overgrootoma waren na de oorlog toevallig aan de
Westkant beland – gewoon omdat ze net ietsje verder gingen reizen. Dat
vind ik wel altijd een aparte gewaarwording. Contact was er wel, meestal
via ansichtkaarten of af en toe een telefoontje. En van wat nichtjes
kregen we gedragen poloshirts en truien, die waren kleurrijker dan onze
kleren. Maar ik heb nooit gemerkt dat iemand erg verdrietig was dat de
rest van de familie ergens anders zat. Het was zo, dus ja. Ik heb een
nogal pragmatische familie. Zij legden zich erbij neer. Toen de muur
gevallen was, hadden de zussen weer meer contact met elkaar, maar het
was te merken dat het niet altijd van harte ging. Mijn overgrootoma zei
altijd dat ze daar alleen maar over geld praten en dat ze niet eens zelf
taarten kunnen bakken, maar die gewoon uit de diepvries pakten. En dat
vond ze vreselijk. Er was weinig gemeenschappelijke basis meer na 40
jaar.

Inmiddels ben ik vanaf 1989 natuurlijk in dat ‘nieuwe Duitsland’
opgegroeid en negen jaar later in Nederland. Op die manier ben ik toch
behoorlijk ‘verwesterd’. Ik ben achteraf blij dat ik niet meer als
tiener in de DDR moest leven – ik denk dat mij dan zeker was opgevallen
dat er van alles en nog wat niet deugde aan deze staat. Maar zo heb ik
vooral een beschermde en heel erg zelfstandige jeugd gehad, waarin ik
zelf mijn gang kon gaan in de stad, als 6-jarige al een eigen sleutel
had en mijn eigen pannenkoeken bakte omdat mijn ouders allebei werkten.
Heel modern eigenlijk.

Hoe heb je de val van de Berlijnse muur beleefd?

Op de avond dat de muur echt ‘viel’, sliep ik gewoon. We woonden dus ver
van het centrum, mijn vader had die avond gekaart met vrienden, had wat
borrels op en lag al te slapen. Mijn moeder was de enige die nog wakker
was en het nieuws zag. Ze probeerde mijn vader nog wakker te schudden,
maar die snurkte door. Ze hebben geen aanstalten gemaakt om zo laat ‘s
avonds nog naar het centrum te gaan.

Toen we op 11 november bij de Invalidenstrasse dus voor het eerst de
grens overgingen, was dat zonder mijn moeder. Zij had Ijslands
gestudeerd en probeerde al jaren om eens naar dat land te reizen. Vlak
voordat de muur viel had ze eindelijk haar visum en haar vlucht ging op
10 november! Dat was heel toevallig en zij werd dan ook door de
Ijslandse presidente ontvangen omdat ze de eerste Oost-Duitse was die na
de val van de muur naar Ijsland reisde. We waren dus met z’n drieën,
mijn vader, mijn overgrootoma en ik en we gingen ons Begrüßungsgeld
ophalen en onze familieleden opzoeken. Dat was volgens mij in de buurt
van de Kurfürstendamm. We stonden een tijdje in de rij tot we het geld
hadden en werden toen door onze familie opgehaald. Ik weet er niet veel
meer van, maar één van de eerste dingen die een groot-tante van mij deed
was me meeslepen naar een McDonalds. Ze liep naar de rietjes, pakte er
een hele stapel uit en drukte die in mijn hand. “Deze mag je hier gratis
meenemen!” En ik was wel degelijk onder de indruk. Niet dat het gratis
was (bij ons kostten levensmiddelen en dat soort dingen immers heel erg
weinig), maar dat de rietjes zo dik waren. Ik kende alleen maar hele
dunne rietjes die we ook gebruikten om zeepbellen te maken, want
bellenblaasflesjes bestonden niet. Regelmatig slikte je dan een beetje
zeepwater door als je het te ver had opgezogen, heel vies.

We zagen etalages met kerstmannen van chocola, wel één meter hoog. En we
kochten een Barbie. Een echte. Dat was eigenlijk mijn hoogtepunt na de
val van de muur. Die pop heb ik gekoesterd en vertroeteld en heel veel
mee gespeeld, mijn moeder naaide zelf kleren voor haar. En het bleef
mijn enige, zo bijzonder was het.

En daarna? Toen de muur al een tijdje gevallen was? Veranderde de wereld
voor mij alleen heel geleidelijk. Mijn moeder hield haar baan gelukkig,
mijn vader niet; hij begon als vertegenwoordiger voor West-Duitse
bedrijven en dat ging met horten en stoten de jaren daarna. We kregen
nieuw geld, ik ging naar het gymnasium precies op het moment dat
West-Duitse kinderen ook de overstap van de basisschool naar de volgende
school maakten. Iedereen kocht een videorecorder en op de lege
parkeerplaatsen van Marzahn verrezen videotheken. Met pornofilms op de
bovenste plank; dat staat me nog zo voor ogen. Ik vergroeide gewoon met
dat nieuwe land, het voelde voor mij niet als een abrupte overgang.

(Op de foto sta ik tweede van links, met turquoise broek en in de gele plastic tas een walkman, samen met mijn tante, oom, neef en nicht, en rechts mijn vader)

Hoe vind je Berlijn veranderd sinds de Berlijnse Muur is gevallen?

Enorm. Oost-Berlijn was grijs en stil. Althans, dat idee heb ik. Koude
woningen, veel kolenkachels, weinig gezellige winkels. Ik heb dat soort
herinneringen natuurlijk niet allemaal in mijn hoofd, maar als ik nu
foto’s zie uit die tijd, dan is de verandering gigantisch. Marzahn was
lelijk met de betonnen platen en overal aarde en zand. Destijds werden
natuurlijk pas de eerste bomen geplant, inmiddels is het één van de
groenste wijken. Als kind zag ik dat niet hoor; wij hadden daar de tijd
van ons leven. Alle ouders werkten fulltime en dus gingen wij met
groepjes op stap. We klommen over de zandbergen, kropen door de betonnen
buizen die overal lagen, liepen de supermarkt (Kaufhalle) in en kochten
lolli’s voor 5 Pfennig. Of een broodje. Kostte ook maar 5 Pfennig. We
verzamelden oud papier en glazen door bij mensen aan te bellen. Die
gaven het ons allemaal mee en wij leverden het weer af en spaarden het
geld in een spaarbus in onze klas.

Al die dingen bestaan niet meer. Kinderen van zes zie je tegenwoordig
weinig meer alleen door Berlijn klauteren; kolenkachels zijn er ook nog
maar een paar en de stad is bruisend geworden. Ik heb Berlijn natuurlijk
in 1998 al een keertje vaarwel gezegd en heb vanuit Nederland nog beter
kunnen zien wat er allemaal verandert. Iedere keer als ik weer bij mijn
ouders kwam, was er een nieuwe giga bouwput. Potsdamer Platz.
De Hauptbahnhof. De regeringsgebouwen naast de Rijksdag. Een ineens
stralend witte Brandenburger Tor in plaats van de oude grijze die ik
gewend was. De stad is veel internationaler geworden, vooral de
afgelopen tien jaar. Nog steeds ben ik het liefst in het oostelijke
gedeelte. Hier staan de oude gebouwen, hier zijn fijne en hippe
winkeltjes gekomen, bijvoorbeeld in Friedrichshain waar vroeger alleen
woningen waren, maar geen winkels. Nu kun je er rondsnuffelen in
boekenwinkels, kledingboetiekjes, stoffenzaken, lunchen en koffie
drinken. Of russische thee. Of Marokkaanse. Of Chai Latte. Je kunt het
zo gek niet bedenken, of het is hier te krijgen. Na vijf voetstappen sta
je al voor het volgende café. In West-Berlijn voel ik nog wel eens hoe
het vroeger moet zijn geweest, ook een bepaalde idylle, een eigen
wereldje dat alleen de West-Berlijners met elkaar deelden. Dat gevoel
overkomt me als ik een oud dametje in een café in Charlottenburg zie
zitten. Toch blijf ik een Oost-Berlijns meisje. De stad is veel
dynamischer geworden, levendig. Dag en nacht. En heeft toch een bepaalde
rust en ruimte weten te behouden. Hopelijk blijft die ook de komende
jaren nog een beetje bewaard. Maar ik denk dat het waar is wat Karl
Scheffler ooit zei: “Berlin ist dazu verdammt, immerfort zu werden und
niemals zu sein.”

(Geschreven op initiatief van Marjolein van der Kolk, van berlijnblog.nl)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *