Zomer

Ik heb het gehad met de donkere dagen. Ok, ik zit hier nu wel, met een bakje nootjes, en een Glühwein (de restjes van december). Da’s best gezellig. Rechts van mij een lamp, tegenover me een lamp. Links een lamp.

Maar die kunnen allemaal niet op tegen het zonlicht.

Vanochtend was het 7.41 uur, en toen zag ik het licht.
Het werd licht! Echt waar! En dat ineens vóór 8 uur!

Ondanks de vrieskou voelde ik zomerse tintelingen in me opstijgen. En dat op de snelweg. Slippers! Rokjesdag! Gezicht in de zon! Shirtjes! Blote voeten! Gras! Echt gras onder je voeten. Ik zou niet meer weten hoe het voelt.

Want het is januari. En het duurt nog eeuwen tot de zon weer echt warm gaat schijnen. Tussendoor kunnen we nog heel wat sneeuw- en ijstijden krijgen, terwijl iedereen al stiekem snakt naar de lente.

Niks schaatsen – hou maar op. Ook de slee heb ik nu eindelijk weer opgeborgen in de garage.

Morgen ochtend ga ik mijn oren weer spitsen, op zoek naar nieuwe vogeltjes buiten. En ik ga vast mijn zomerkleren van vorig jaar sorteren. Met de zon door het raam lijkt het dan misschien al een beetje op….

Ok. Ik maak eerst even de de laatste Glühwein op. En speel nog even winter. Want sinds 17.30 uur is het alweer pikkedonker.

Ik doe het licht uit.
Tot de zomer.

De dagen zonder werk

Dan zit ik het liefst op de fiets. Met zon. Wat eindelijk weer kon vandaag (tenminste: ’s ochtends). Vóór mij troont Max op zijn stoeltje waar hij inmiddels eigenlijk te groot voor is. Hij zou al een tijdje achter op de bagagedrager moeten zitten. Maar het is zo gezellig en fijn, je kind tussen je armen terwijl je vooruittrapt.

Dan gaan we samen het fietspad op richting de molen. ‘Hij draait niet, mama!’ Nee, jammer hè? Langs de groene deur waar we patatjes kopen (heeeel af en toe, maar Max onthoudt dat heel goed). En dan komen we bij het spoor waar hij altijd vraagt: ‘Komt een trein aan, mama?’ en ik altijd antwoord: ‘Ik weet het niet. Misschien hebben we vandaag geluk?’. 

Dan komt de tunnel en dan de stad. Met nog een molen, en de bibliotheek. Daar gaan we vanmiddag naar toe. Ja, echt! ‘Boeken ausleihen’. Nu eerst nog een stukje verder, zingen. ‘En dansen, mama’. Tuurlijk.

Peuterspeelzaal, muziekschool en de bieb – Max heeft buitenlucht en kindercultuur getankt vandaag. 

En ik heb Max getankt. Machtig mooi. 

Ruimte

Twee weken nieuwe stijl liggen alweer achter mij. Op de eerste dag van het eindredacteursschap stond al de eerste collega bij mijn bureau. Hij had slecht nieuws: of ik even mijn camera plus kast aan hem af wilde staan.

Dat deed toch even pijn.

Al vijf jaar lang koester ik mijn apparatuur. Alles wat een volleerd camjo nodig heeft, zit in twee tassen. Een statief in die lange zwarte. (Tientallen keren ben ik onderweg gevraagd wat daar in hemelsnaam in zit. In december maakte ik nog een reportage over een studentenkoor in Utrecht. Op de gang vroegen wat jonge lui aan mij of ik misschien bij hun band wilde. Ze zochten nog iemand die trombone kon spelen.)

En die blauwe, de Portabrace. Die cameramensen over de hele wereld meteen herkennen. Ah! Daar heb je nog zo iemand! Iemand die iets met filmen doet!
Met daarin het belangrijkste, het échte instrument: de V1, (die inmiddels alweer ouderwets is, maar die me toch door dik en dun heeft begeleid en die geen één keer kapot is gegaan). De zender (zonder dat ding ben je nergens als camjo), koptelefoon (ik herinner me ineens dat ik er nog eentje heb laten liggen in een drogisterij in Soesterberg; wellicht kan die collega die nu nog even ophalen?). En een stapel bandjes en batterijen.

Alles zomaar ineens in de handen van iemand anders.
Ik ben de afgelopen 14 dagen niet buiten geweest, ik heb niet gewit (met een wit blaadje de kleuren afstemmen), niet scherp gesteld, geen scherptediepteverlegging gedraaid, en mijn aandacht niet verdeeld tussen camera- en interviewtechniek.

En toch: ik vind mijn nieuwe baan leuk.
Meer dan leuk. Op zaterdag verheug ik me alweer op maandag, en dat lijkt me een goed teken.

De energie die eerder in het sjouwen van de spullen ging zitten, in de dubbele concentratie van het technische en het inhoudelijke draaien, in het autorijden, de vraag of alle informatie op locatie nog dezelfde zou zijn, en in de strakke deadline als je pas om vier uur weer achter de editset zit – al die adrenaline heb ik nu over om nog meer in mijn eigen hoofd te zitten. Er is ineens ruimte.

Om te bepalen welke onderwerpen eerst komen. Kranten beter te lezen. Het ANP te volgen. Voelsprieten te ontwikkelen voor hetgeen ik over een uur moet doen. In de regie te zitten. Veel beter naar teksten te kijken. Of naar de voorbereiding van een reportage. En tenslotte: reportages te beoordelen.
In al die dingen blijk ik ontzettend veel plezier te hebben.

Even heb ik overwogen om de naam van mijn blog te veranderen, maar ik vind dat ‘Ulli draait…nu even eindredacteursdiensten’ ook gewoon door de beugel kan.

En ook al heb ik met wat weemoed even afscheid genomen van hetgeen waar ik inmiddels mee vergroeid leek – als ik na mijn tijdelijke functie toch weer dolgraag buiten in de regen wil draaien en ik sta dan met lege handen, zonder camera, dan herinner ik mijn hoofdredacteur aan zijn woorden:
“Dan krijg je straks toch gewoon weer een gloednieuwe?”

Voorlopig is het even prachtig zoals het is.

Heen en weer

Een week geleden stapten we uit de trein vanuit Duitsland.

Binnen nanoseconden was ik niet alleen weer op Nederlandse bodem, maar dacht ik ook onmiddellijk aan morgen. Mijn werk, de oppas, de broodjes die ik ga smeren. Ik keek op teletekst of er nog interessante dingen zijn gebeurd terwijl we weg waren (nö) en programmeerde mijn brein weer op mijn oude gewone omgeving.

Maar ook die andere wereld, waar ik net vandaan kom, is heel gewoon en vertrouwd. Als ik daar zit, is Nederland mijlenver weg. En denk ik geen moment aan ons huis, onze buren of de televisieprogramma’s die we zouden kunnen missen.

Hoe kan het dan toch dat we Berlijn binnen enkele minuten weer zijn vergeten zodra we terug zijn?

Het is een wonderlijke switch die we tussen beide landen moeiteloos maken. Alleen tijdens grote voetbalwedstrijden zijn beide naties in mijn hoofd verenigd, krijgt de één op dinsdag aandacht, en de ander op woensdag.

Zoon Max begint nu ook enigszins onderscheid te maken tussen zijn twee gedaantes. Als hij rood-wit-blauw ziet, roept hij ‘Nederland’! En hij snapt inmiddels heel goed dat Oma in Berlijn echt alleen maar mama’s taal kan verstaan. En dus zegt hij “Kijk…”, denkt even na en herhaalt dan “Guck, Oma!”

Gisteren daagden we hem uit en vroegen: “In welk land wonen wij?”

“Thuis”, antwoordde Max.