Bruxelles ligt ook in Europa

Heet was het maandag, toen collega E. en ik het Europees Parlement uitstrompelden. “Je kan hier een kanon afschieten”, had de voorlichtster gezegd toen we nog binnen aan een kopje koffie zaten. In de enige bar die open was voor de overgebleven medewerkers van het parlement.

Alle kandidaat-parlementariërs zijn immers op campagne in eigen land. Om stemmen te winnen bij de boer, bij de palingvisser of bij de student.

Gelukkig zijn er nog wat bezoekers die de grote zaal van het parlement willen zien. Zo hebben alle assistent-secretaresse-woordvoerder-wegwijzer-rondleider-medewerkers nog wel iets te doen.

Wij staan ook in die zaal – want speciaal voor ons zijn drie Utrechtse kandidaten afgereisd naar Brussel. Om brieven in ontvangst te nemen. ‘Brieven aan Brussel’, geschreven door de kleine man in de provincie. Die wel met Europa te maken heeft, maar zijn stemkaart waarschijnlijk alsnog laat liggen.

Europa? Wat is dat?
Collega E. en ik hebben het enige echte antwoord: ga in Brussel in een café zitten en luister.
Aan ELKE tafel om je heen wordt een andere taal gesproken. En toch drinken ze allemaal hetzelfde Brusselse pintje.

En nog geen drie dagen later schrijf ik dit in Berlijn.

Dat is Europa.

En kijk dan trouwens ook even naar onze vier reportages die we samen hebben gemaakt.

Max(moeder)dag

Een jaar gaat snel, dat zeggen ze allemaal. Is ook zo.

Al weet ik heel goed wat er allemaal geweest is. De eerste uren, de eerste dagen, de eerste maanden. Ineens is het een jaar.

En kan ie van alles. Lopen langs de bank en de stoelen, kruipen op zijn knieën, zelf brood eten en uit de beker drinken, babbelen en zijn vinger in zijn verjaardagstaart steken.

Maar wat een 1e verjaardag is, dat snapt ie nog niet. Gelukkig is ie nog niet volwassen.

Zo snel gaat het dan ook weer niet.

Geniaal

Soms heb je ineens van die geniale uitvindingen. Die al lang bestonden, maar waar ik dan geen weet van had.
Toen ik onlangs in het busje van cameraman R. zat, de vriend van goede vriendin S., had hij zo’n spiffy, geniaal dingetje. Een wit ouderwets bandje met een draadje eraan. Hij moet in de gleuf van je autoradio (mits je zo’n oude inbouwkast hebt als hij en ik, waar nog steeds een cassettedeck in zit).

En dan sluit je je Ipod aan en kun je naar hartelust alle liedjes draaien.
Als bedankje voor een vriendendienst kreeg ik deze week zelf zo’n wit bandje opgestuurd van vriendin S. En hij werkt! Te gek!

Keiharde (goede) muziek in de auto is nu ook weer aan mij besteed!

Jarig!

Voordat de week alweer voorbij is en een nieuwe in het verschiet, wil ik toch nog even kort stil staan bij een bijzondere verjaardag. Nee, niet die van mij, een vriendin of mijn zoon, maar wel die van mijn ‘andere baby’: mijn weblog is afgelopen week 6 jaar oud geworden!

Geen vulpen, geen inkt, geen dagboek zoals bij vriendinnen in de la. Alleen mijn toetsenbord en ik. Dankzij een ouderwetse typcursus op mijn 13e en een heleboel oefenen op mijn 17e toen ik achter mijn eerste PC zat, kan ik met tien vingers blind letters op het scherm gooien.

Nou ja, ik doe het natuurlijk niet alleen: dank aan de uitvinders van Blogger, de uitvinders van het word wide web en vooral dank aan alle mensen die mijn leven met verhalen spekken. Op de volgende zes jaar! Proost!

Twee minuten stil

Het is 19.57 uur als ik bij vriendin M. op de parkeerplaats sta. Ik wil muntjes bijgooien om de parkeertijd te verlengen. “Nog even wachten!”, roept een vrouw van middelbare leeftijd in een rode jas. Hoezo?

“Vanaf 20 uur is het goedkoper! De rest van de avond voor 2,60 Euro!”. Ok, ik besluit te wachten. Uit een donkere auto stapt een meneer. “U moet nog even wachten, hoor!”, roept de vrouw in rood al van veraf. “Hoezo?”. Ze legt het opnieuw uit.

Nog twee auto’s worden in de lege vakken gezet. Twee heren sluiten aan in de rij. Ook zij luisteren aandachtig naar haar uitleg.

Met z’n allen staan we stil. Te wachten. En te loeren naar de klok op de parkeermeter. Nog twee minuten. “En dan is twee minuten ineens wel erg lang”, roept de mevrouw in rood nog.

Om 20.00 uur precies klinkt de eerste munt in de automaat.

Klein geluk

Loodzwaar is ie als we hem uit de oranje koffer tillen. Een echte Veritas, DDR-naaimachine. Geen goedkoop plastic, maar een metalen exemplaar. Mijn oma en ik krijgen hem amper de tafel op.

Ik ben een laatkomer. Vroeger, toen ik heel klein was, werd ik bij mijn overgrootoma al wakker met het rustgevende geratel vanuit de hoek van de kamer. Zij verdiende geld met het maken van knoopsgaten, het repareren van scheurtjes en het maken van mooie lange jurken en rokken die in de winkel niet te koop waren. Buren, vrienden, familie en mond-op-mondreclame zorgden jarenlang voor genoeg werk en uiteindelijk kromgebogen vingers.

Ook de volgende generatie, mijn oma, is er nog steeds een ster in. En zelfs mijn moeder kan een mooi stukje stof tot iets draagbaars omtoveren. Alleen ik ben er nooit aan begonnen. Heb er zelfs nog nooit achter gezeten. Nooit meegekeken.

Maar nu ben ik op cursus. In mijn eigen huis. Met mijn eigen geërfde naaimachine.

Op de eerste avond naaien we meteen het garen vast in de spoel en leer ik dat je ook best een gevoel voor minischroefjes en stalen onderdelen moet hebben.

Na een uur repareren loopt ie weer op rolletjes en een half uurtje later zijn de naden van mijn rechter mouw dicht. Ik blijf er maar naar kijken. Zelf gedaan!

Brötchen

Zondag ochtend tussen 9 en 10. Het is de derde keer dat ik enthousiast mijn blauwe racefiets pak en een eindje de omgeving ga verkennen. Ik weet immers nog maar amper waar ik eigenlijk ben gaan wonen. Dat het hier mooi is, weet ik inmiddels zeker. En dat ik iedere week mijn rondje aan het uitbreiden ben, ook.

Twee weken geleden: 15 km.
Eén week geleden: 22 km.
Vanochtend: 32 km.

Inmiddels heb ik ook vastgesteld dat ik het toeristische en sportieve ook met het nuttige kan combineren. De grens is maar 15 kilometer verderop, en in Duitsland is op zondag ochtend de bakker open.

Ook al wordt het fietspad acuut slechter, hebben de huizen ineens kleine ramen, grijpt de industriële sfeer om zich heen en is het lieflijke ineens verdwenen, de broodjes die ik bij de bakker ophaal, smaken nog eens tien keer zo goed als ik bezweet aan onze keukentafel zit.

Werken in Wijk

Op de Mazijk, tussen de oude barbiepoppen, de kartonnen kinderboekjes, de plastic speelgoedautootjes staan een aantal kinderen serieus geld te verdienen. Met een gitaar, wel vijf dwarsfluiten, een enkele trommel en precies één viool werken ze zich uit de naad om hun hoedjes gevuld te krijgen.

Daarnaast kunnen ze ook nog de titel van beste muzikant van Dorestad verwerven, dus de oogjes fonkelen. Eén stel meiden slooft zich helemaal uit. Ze trekken met hun fluiten rond het hele terrein, gekleed in rood-wit-blauwe jurken, met een bataljon peuters om hen heen die met oranje hoeden geld inzamelen. Ze maken de meeste kans op een prijs en zijn opgewonden als ik ze daar wat vragen over stel.

Ik geniet van de strak blauwe lucht, de oude gebouwen, de geheime poort die me vanaf de rommelmarkt weer naar de stad leidt. De reportage is af, terug naar de redactie.

Maar ja, Apeldoorn. Ik hoor pas rond één uur dat mijn net gedraaide reportage de prullenbak in kan. Hup, naar de burgemeester, hup, de mensen vragen of het nog nut heeft om verder te feesten.

De kinderen hebben pech. En ik ook. De oranje onschuld is even verdwenen. Nieuws gaat vóór.
En toch: ik had zo graag die andere reportage willen monteren… Het Koninginnedaggevoel verdwijnt samen met mijn bandje. Daar kan ook mijn oranje panty niks meer aan veranderen.