Spuit elf

Vlak voordat Max in ons leven trad, kregen we eigenlijk al een ander kindje. De Iphone van vriend J..

Net als bij iedere andere gadget die regelmatig zomaar ons huis binnenfladdert, dacht ik dat de opwinding over het nieuwe apparaat maar enkele dagen, hooguit weken zou duren en dat het nieuwe speeltje dan zou liggen verstoffen onder het nachtkastje.

Dat had ik helemaal fout. Tot op de dag van vandaag heeft de minicomputer bij ons alle aandacht. Naast het bed, naast het ontbijtbord, in de auto. Maar ja, je kan er dan ook echt zooooveel mee. Terwijl er maar één knop op zit. Nou, ik hoef het jullie niet uit te leggen, want ik ben natuurlijk spuit elf.

Volgens vriend J. ben ik nu één van de laatste mensen in de westerse wereld die er nu ook één in hun bezit hebben. Ik ben nog niet zo fanatiek als hij, maar een aantal dingen kon ik al na vijf minuten niet meer missen. Op de bank kunnen kijken of je mail hebt is een ongekende luxe. Zomaar je horizon verbreden met de zoekfunctie in je hand, zonder de trap te hoeven nemen: zalig. En je kan met hem spelen wanneer je maar wilt.

Hij hoeft niet te eten, niet te drinken en huilen doet ie ook niet. Bovendien zou je bijna vergeten dat je er ook mee kan bellen, met zoveel verschillend gekleurde symbooltjes op het scherm.

Ja, het is de oude versie, maar ik hou van ons tweede kindje. Ben benieuwd of ie 18 jaar bij ons blijft.

Lindgren voor volwassenen

Soms leef ik tijdelijk op een andere planeet. Als ik op vakantie ben bijvoorbeeld. Ik kijk geen tv, lees geen kranten en wil helemaal niet weten wat er in Nederland allemaal gaande is. Als de vakantie dan voorbij is, ben ik benieuwd wat ik allemaal heb gemist.

Dit jaar was dat weinig. Mexicaanse griepverschijnselen, een aantal branden, wat nog? Nou, weinig dus. Gisteravond kwam ik erachter dat ik toch wel iets kleins over het hoofd had gezien: de film ‘Millennium’ draait in de bioscoop. Ik wist niet eens dat die film gemaakt was, laat staan dat ie zo snel op het grote doek zou verschijnen.

En dat terwijl ik al een half jaar geleden de hele trilogie heb gelezen. In het Duits, omdat de reeks Zweedse boeken daar al langer in de bestsellerlijsten stond. Al die maanden probeerde ik vriend J. over te halen om er ook aan te beginnen – in de tent draaide de zaklamp aan zijn kant uiteindelijk overuren terwijl ik al lang in slaap was gesukkeld.

En gisteren kwamen we er dus pas achter dat de hoofdpersonen die tot nu toe alleen in onze hoofden bestonden, een gezicht hebben gekregen. Een verbazingwekkend herkenbaar gezicht; want zowel vriend J. als ik hadden ons de helden van de boeken exact zo voorgesteld.

Geen Hollywood, maar subtiel en koel Scandinavië. Tijd voor de bioscoop dus, deel 2 en 3 liggen nog op het nachtkastje.

Kind aan huis

Max loopt.

Op zich is dat natuurlijk niets bijzonders. Een mens wordt geboren als baby, ligt dan heel wat maandjes in een box, bed of op de bank. Op een dag leg je hem op de grond en dan schuift het mensje via zijn buik richting keuken. Je staat verbaasd te kijken. Twee dagen later ben je eraan gewend.

Weken- en maandenlang blijven de bewegingen hetzelfde. Het mensje verandert natuurlijk op andere terreinen, maakt geluiden, gaat meer lachen, leert naar jouw neus te grijpen. En leert te eten. Het kruipen krijgt ie steeds beter onder de knie. Letterlijk, want het buikschuiven wordt kniehobbelen.

En dan, net ietsje later, kan het mensje ineens opstaan. Een paar wankele stapjes en dan valt ie blij in jouw armen. Een hele week lang was Max er zelf van onder de indruk. Na ieder stukje zelfstandige route keek hij op en stond breed te glimlachen.

Nu zijn we een vakantie verder en inmiddels is het de normaalste zaak van de wereld: ons mensje loopt tussen bank en stoelen en kijkt nieuwsgierig in de vaatwasser. Hij loopt zo de deur uit, de straat op en zoekt de andere kinderen. Hij loopt door de tuin, steekt de hele woonkamer door en vandaag liep hij voor het eerst in een winkel.

Max is niet meer onder de indruk. Wij wel. Als het besef doordringt: hij wordt groot. Ons kind zal nooit meer kruipen. Nooit meer. Een rare gewaarwording.

Bruin glas

Ik houd niet van zonnebrillen.

Het zal er ongetwijfeld mee te maken hebben dat ik als kind en puber jarenlang, dag in dag uit, een bril moest dragen om überhaupt iets te kunnen zien, maar die glazen op mijn neus ben ik liever kwijt dan rijk. Niet voor niets stop ik al 15 jaar lang lenzen in mijn ogen.

Op de eerste dag van onze vakantie zonder Max moest ik er wel aan toegeven: de zon in Bad Mergentheim was zo fel dat ik mijn ogen wel heel erg dicht moest knijpen. En omdat ik nu 30 ben en ook langzaam aan opkomende rimpels moet denken, zat er niets anders op dan de Fielmann binnen te stappen.

Ik vond ook heel snel een geschikt model, van een merk dat me wel goed in de oren klonk. Vriend J. zei: Meenemen! Ik twijfelde. Waren mijn wenkbrauwen nog wel goed te zien? Zijn de glazen niet te groot voor mijn gezicht? Te rond? Te donker?

Nee, dit exemplaar moest het maar worden. Toen ik hem buiten opzette, werd het felle zonlicht okergeel, de daken brandweerrood, het blauw van de hemel zo diep als de zee en het groen van de bomen – nou ja, ik ben niet zo goed in literatuur, maar zo voelde het wel.

Een verademing voor mijn ogen, tot het een aantal dagen later op het Lago Maggiore zo heet werd dat ik ineens weer wist waarom ik zo’n hekel heb aan zonnebrillen. Alles begint te zweten, niet alleen mijn neus, maar ook mijn ogen, lijkt het wel. Ze komen zuurstof tekort.

En dus zette ik ‘m af. Want hij staat ook best mooi als accessoire.