Vreemde oorden

We zijn nog niet altijd even thuis, daar, waar we nu wonen.
Inmiddels gewend aan de koeien op het gras, de maïsvelden, de rode klinkers van de huizen om ons heen. Maar de volgende grote stad, die kennen we nog niet.

Geen Utrecht of Amsterdam, maar Arnhem om de hoek. De twee uurtjes die ik er wel eens winkel zijn niet genoeg om een stad te leren kennen. Ik weet waar de bieb zit, ken café Dudok, de Bakkerstraat, maar dan houdt het ook op. De weg terug naar de parkeergarage? Dan moet ik nog regelmatig een kaart erbij pakken.

En dus gingen we maar iets echt stads doen: naar de bios. Naar het filmhuis zelfs, midden in het centrum, op de Korenmarkt. Een oase van de Europese film midden in een walhalla van de dampende cafés. Althans, toen we naar binnen gingen, viel dat nog niet zo op, maar na driekwart film hoorde je tijdens de stille scènes al de drum&bass door de muren heen stampen.

Niks mis mee op zich, maar toen we naar buiten stapten, was het net of we aan de Costa Brava stonden. Dat kunnen we weten, we hebben elkaar daar ooit leren kennen, vriend J. en ik.

In geen enkele Nederlandse stad hebben we tot nu toe zoveel hutjemutje-cafés gezien. Geen speld tussen te krijgen. Bloopers, Juicy Lucy, De Schoof of Bumpers, neonreclames en opgewonden tieners. Her en der live-muziek-klanken die ons bijna over de streep trokken om nog even te blijven.

In plaats daarvan trokken we met een patatje weer terug naar de parkeergarage. En zelfs dat bleek een belevenis. Vanaf de ingang keken we ineens zo tientallen meters naar beneden. Er was niemand. Fel licht en kilte. Stilte voor de storm. Een kunstinstallatie. Nee, gewoon een ondergrondse parkeergarage, onaf. Eenzaam ook.

Zo’n vreemd gevoel, als op vakantie. In een vreemde stad, in een vreemd land en zometeen keer je terug naar je tentje.

Er valt hier nog een hoop te ontdekken.

Dubbele tong

Max groeit tweetalig op.

Althans, is de bedoeling. Zijn eerste woord is al twee maanden ‘auto’. Daar kan hij niet zoveel verkeerd mee doen, immers betekent dat in beide talen hetzelfde. Integratie gelukt. Nou ja, voor even.

In het begin was het raar. Ik woon hier al 11 jaar, en spreek inmiddels 14 jaar Nederlands. Zonder accent, durf ik te beweren, al hoor ik er van menig collega nog wel eens een grapje over. Duits spreek ik alleen aan de telefoon of als ik op familiebezoek ben, dus eens in de twee maanden. En dan moet je dus ineens iedere dag, iedere minuut je moedertaal spreken, anders leert Max het niet.

Want dat staat in de boekjes en de wetenschappelijke tijdschriften: spreek je kind aan in je eigen taal, alleen dan kun je alle gevoelens en emoties ook goed overbrengen. Iedere ouder moet in zijn eigen taal met het kind praten, dan zal hij/zij beide talen even goed spreken. Zonder accent.

Maar wat is je eigen taal als je ineens de derde taal (na Russisch en Engels) zo perfect beheerst dat ie net zo goed je moedertaal had kunnen zijn? Ik moest behoorlijk wennen om in het Duits tegen Max te kletsen.

Gelukkig kwam mijn moeder toen een hele week langs en dat hielp. Met een man op kantoor waren we ineens een Duitstalig huishouden in het Gooi, en sindsdien schakel ik automatisch over op mijn oude moedertaal zodra ik mijn zoontje zie.

Nu is het gek als ik naar een plaatje wijs en ‘Frosch’ zeg, terwijl vriend J. daar een heel ander woord voor gebruikt. Snapt ie dat dan wel? En wat onthoudt hij er uiteindelijk van? Het laat zich nu nog moeilijk raden.

Volhouden, dat is nu het beste advies. Want inmiddels val ik een beetje stil als ik met Max door de stad loop. Als ik in het openbaar Duits tegen hem praat, voel ik me net een toerist. En dus durf ik niet zo goed. Want ik wil geen toerist zijn.

Gehaast gooi ik er dan heel snel een soort excuus in het Nederlands achteraan: “ik voed hem tweetalig op, hoor!”

Wie-o-wie

Ik heb 2 stemmen, staat er op het briefje. Eentje voor de regionale verkiezingen, en eentje voor de landelijke. Al twee weken lang ligt de bruine envelop met inhoud op de kast te wachten tot ik mijn kruisjes zet.

Volgende week zondag zijn er verkiezingen in Duitsland. En aangezien ik mijn paspoort ondanks uitstekende inburgering in dit kikkerlandje nooit heb afgestaan, en dat ook niet van plan ben, hoor ik nog steeds bij de stemgerechtigde Duitse staatsburgers.

Mijn gemeubileerde kamer (dat moet van het Konsulat in Amsterdam om een Duits adres te mogen houden) staat in Doppeldorf Petershagen-Eggersdorf en bij die gemeente hoor ik dus nog steeds te stemmen.

Maar wat? Vier jaar geleden stemde ik op Merkel, omdat ik Duitsland wel een kanselier met een mooi decolleté gunde. Met mijn keuze doorbrak ik toen de familietraditie. Doorgaans stemt mijn familie op de SPD, of anders op de groene partijen. Maar zeker niks met C en ook zeker niks liberaals.

Die C kan me ook nog steeds niets schelen, eigenlijk is het me te traditioneel. En Merkel is de afgelopen maanden zo stil gevallen dat ik niet meer zeker weet of zij nog wel een tweede termijn verdient. De partij met S dan? Net als de PvdA in Nederland – mwa, het zijn allemaal niet zulke duidelijke standpunten. En Duitsland heeft al een behoorlijke grote sociale basis, daar mag eigenlijk wel wat meer liberalisme in…

Dan blijft de partij met F over. De FDP, tegenhanger van de VVD. Liberaal, aangestuurd door een homoseksueel, dus vooruitstrevend. En een sociale faktor kennen ze ook. Maar dan zou ik opnieuw breken met alle familierituelen. “Dat kun je toch niet maken!”, hoor ik ze al zeggen. Maar met vriend J. als ondernemer voel ik nou inmiddels wat meer voor dat soort partijen.

Pfff, die brief moet weg, anders ben ik te laat. De Duitse stemwijzer heb ik ook al geraadpleegd en mijn standpunten komen redelijk met alle drie partijen overeens. Niet makkelijker dus. Een D66, een gulden middenweg, is er niet.

Wat is goed voor Duitsland? Voor het eerst weet ik het echt niet.

Koningin

Er was eens een tijd waarin ik om 8 uur opstond. Ik maakte twee broodjes voor mezelf die ik achteloos achter de kiezen schoof. Eten meenemen, daar was ik doorgaans te lui voor. Lunch op de redactie, ’s avonds koken. Vriend J. was nog thuiswerker, maar zoveel brood ging er bij hem niet in. Met één brood konden we heel wat dagen overleven.

Nu hebben we een diepvrieskast ter grootte van een olifant, en de grootste la ligt altijd vol met brood van de bakker. Kan ook niet anders, want tegenwoordig sta ik ’s ochtends bij het aanrecht plakjes voor de hele familie te smeren. Twee met hagelslag voor vriend J. Om meteen op te eten. Twee voor mij met chocopasta, bij voorkeur meteen verorberen, bij tijdgebrek in auto of trein.

Dan twee keer twee bammetjes voor vriend J. om mee te nemen, in zijn stoere groene broodtrommel. Tegenwoordig gaat hij naar kantoor, dus ja, dan hoor je als Nederlander wel brood bij je te hebben. Om een beetje mee te doen en ook omdat ik sinds de middelbare school constant honger heb, doe ik er ook nog wel twee in min tas.

Een half brood is dan al op, maar ons mannetje krijgt het broodje dat het langst duurt. Dat snij ik in gemiddeld 16 stukjes. Inmiddels word ik steeds sneller met smeren, droog wordt ons brood al lang niet meer.

Als ik nou ook nog eens onthoud dat ik om de dag een brood uit de diepvries moet halen, dan ben ik een echte broodjessmeerkoningin.

Onbekend

Eén dag in het jaar mag ik een handtekening uitdelen. Niet onder een formulier, maar echt, in iemands boekje, met een pen die ik krijg aangereikt en het vriendelijke doch dringende verzoek: “Mag ik een handtekening?”.

Die dag is meestal de Open dag bij mijn werkgever. Dan gooien we alle deuren los en laten de meute binnen die meestal al een half uur voor de gesloten deur staat te wachten. Ieder jaar opnieuw verbaas ik me erover dat er mensen zijn die speciaal voor ons komen en voor de studio’s.

Want eerlijk is eerlijk, die handtekening is natuurlijk super onterecht. Die dag voel je dat je maar een statist bent tussen de echt belangrijke figuren, onze presentatoren. Die zijn op tv en dus zijn ze het meest interessant. De mensen achter de camera boeien doorgaans niet zo. Ook niet als ze met een rood koordje om lopen.

Dus de zin: “Die andere drie ken ik wel, maar u…?” heb ik gisterochtend vaker gehoord dan de vraag om een handtekening. En dat geeft niet, want doorgaans vind ik het een rare bijeenkomst. Wij verslaggevers leggen de mensen uit hoe televisie en radio werkt. Dat de studio’s inderdaad in het echt kleiner zijn dan ze lijken. En dat de presentatoren in werkelijkheid slanker en jonger zijn dan ze er op tv uitzien. Terloops leggen we ook nog uit wat ons beroep eigenlijk is. “Heeft u dat meisje met die kleine camera zien lopen? Ja? Nou, dat doe ik nou ook iedere dag…”.

Wat van al dat praten bij de mensen blijft hangen: geen idee. Sommigen komen hier ieder jaar weer. Al is het maar om dat handtekeningenboekje ooit vol te krijgen.

Drie op een rij

Nee, als werkende moeder ga je niet vaak meer uit.

Nou behoorde feesten nog nooit tot het middelpunt van mijn bestaan, ook niet toen ik nog een studerend meisje was.

Ik hou er wel van, dat is het niet. Als ik eenmaal op de dansvloer sta, ga ik helemaal los. Alleen kost het meestal een halve of een hele dag om bij te komen van al die passen en die volle glazen. En dat vind ik vaak zonde van mijn tijd. Als buiten de zon schijnt, of je ook nog dat ene boek wilt lezen, of naar die vestingstad. Dan ben je daar na het stappen in negen van de tien gevallen te moe voor.

’s Avonds hang je op de bank en laat de tv passief aan je voorbijtrekken. Een weeïg gevoel in je buik en een volle prop in je kop.

Toch deed ik het nu maar weer eens. Donderdag avond met de buurvrouwen spontaan naar het stadsfeest om de hoek. Vrijdag avond naar het verjaardagsfeest van vriendin S. En zaterdag echt los op het bruiloftsfeest van eindredacteur M. Met drank, met danspasjes en zelfs hier en daar een sigaretje.

Lekker.

Nu weer drie dagen bijkomen.

20 minuten

Ooit kon ik het heel goed. Ik begon er in mijn studententijd mee, 2 minuten snel, 1 minuut langzaam. De klassieker. Tot ik het op een dag een heel uur volhield.

Inmiddels ben ik tien jaar, heel wat woonplaatsen en drie paar hardloopschoenen verder, maar moet helemaal opnieuw beginnen. Jarenlang kon ik ook na maanden pauze zomaar weer mijn veters strikken en 50 minuten door de polder banjeren. Op redelijke snelheid.

Daarnaast fietste ik nog wel eens naar mijn werk in Hilversum. Vanuit Utrecht. Ik was een sportief meisje. Met een slank lijf en 65 kilo op de weegschaalteller.

Dat is voorbij. Nu ben ik moeder, lui geworden en nog maar op de helft van mijn oude conditie. De zwangerschap is te lang geleden, daar kan ik niet meer mee aan komen als excuus. Op mijn racefiets zit ik maar mondjesmaat en het ergste van dat alles: ik ben nu 7 kilo zwaarder.

Minder eten is geen optie en dus ren ik.

Sinds anderhalve week op nieuwe schoenen. 20 minuten, minstens 3 keer per week. Stelt nog niks voor, maar het voelt al bijna als vroeger.