Ulli draait…

…nu echt overuren. Zo heb je niets, en zo ben je ineens verantwoordelijk voor een reportageserie van vier afleveringen.

Het is mijn eigen schuld. Ik stapte twee weken geleden pas naar de eindredactie om mijn idee van een korte serie over de regionale ‘val van de muur’ te lanceren. Ik was bang dat het niet door zou gaan en daarom wachtte ik wat langer. “Komt ze weer aan met haar Berlijn, hoor.” En: “Niet regionaal genoeg, daar doen we niet aan.” Zo spookte het door mijn hoofd.

Tenslotte viel de muur twintig jaar geleden in Berlijn en niet in Utrecht. En dat het onderwerp bij mij hoog op de agenda staat, betekent nog lang niet dat de rest van Utrecht ernaar wil kijken.

Toch dacht eindredacteur W. daar anders over. Hij is van de ‘oude stempel’, één van de mensen die hun kinderen destijds ongetwijfeld voor de televisie plantte en zei: “Kijken! Dit is geschiedenis. Live!”

En dus mag ik mijn serie nu maken. De eustress slaat toe. Draaien, monteren, in mijn eentje. 4x binnen één week. Daarnaast twee debatten voorbereiden, met boeken over bovengenoemd onderwerp in de aanslag. En een ingelaste zaterdagdienst.

Ik heb het druk en ik ben er blij mee.

Morgen als opkikker een kinderverjaardag bij de buren. Goed voor de afwisseling.

Haargenau

Vroeger, dat was toen ik met nat haar in een groot bad zat. Thuis. De zeep zat in een netje van zacht plastic. Met gaten erin. Gaf een heel stroef gevoel bij het wassen; pas veel later zou het modern worden en ‘peeling’ heten. Had ik dus als kind al, want douchegel of huidolie waren er niet.

En daarna: pakte mijn moeder de huis-, tuin- en keukenschaar om mijn haar te knippen. Kort. Dat vond ze handig. Als ze me nu met lang haar ziet, zegt ze nog wel eens dat ze het zo leuk had gevonden als ik ook als kind… maar nee, vroeger dacht ze daar heel anders over en moest al dat haar er zo snel mogelijk af.

Dat deed ze zelf, want een kinderkapper hadden we vast ook niet in de buurt. Wel zo handig, met nat haar uit bad, alles bij de hand en aan de slag. Mijn pony werd steevast te kort, en bovendien heel erg scheef geknipt. Mijn moeder geeft gelukkig toe dat ze er geen ster in was.

Nu heb ikzelf een zoon en hoe mooi ik lang haar bij jongetjes van anderhalf ook vind; als ze in de ogen en in het eten gaan hangen, is het toch tijd om er wat aan te doen.

Knippen dus.

De eerste keer gingen we nog naar de kapper. Dat ging goed, maar eigenlijk waren we vooral bezig Max af te leiden met een blauwe auto en 5 minuten later was zijn geduld definitief op. Kostte wel meteen 15 euro.

Dat kan ik beter zelf doen, dacht ik dus. En nu treed ik in de voetsporen van mijn moeder. Ik pak het wel iets professioneler aan, met een kappersschaar van de HEMA. Vriend J. laat Max foto’s op de laptop zien (dat werkt altijd) en ik ga aan de slag met de blonde nekharen. Het gaat verbazingwekkend simpel. Zolang ik alleen maar aan de achterkant knip.

De pony wil hij niet. Alsof ie weet dat het bij mij ook verkeerd ging. Vroeger. Hij verzet zich met handen en voeten, krijst en slaat me van zich af. Nou, dan niet.

Ik wacht tot we in de auto zitten en Max diep in slaap is. Op een hele rustige weg pak ik die laatste ponyplukken die ik nog moet doen en knip er zomaar wat af. Scheef of niet.

Kan hij daar later weer een stukje over schrijven.

Blingbling

Als ik hardloop, dan in het zwart. Mijn korte broek is zwart, mijn lange ook en vaak hebben ook mijn shirtjes weinig kleur. En lopen doe ik meestal als het donker is, dus eigenlijk ben ik amper te zien buiten. Op wat reflectievlakjes na.

Dat in tegenstelling tot de mede-hardlopers die mij meestal met dubbele snelheid inhalen of die het rondje andersom lopen en die ik veel te vlug weer tegenkom (ook dan ben ik dus te langzaam, mensen). Tegenwoordig moet je op z’n minst een geel of oranje hesje aan, anders doe je niet mee.

Maar het liefst breid je dit basisequipment uit met één of twee armlampjes, een twinkelend rood sterretje voor op je schoen, en als topper een mijnwerkersledlampje op je voorhoofd. Misschien kunnen we dit dan ook nog ergens kwijt.

Ik weet het, ’t zal ongetwijfeld iets met veiligheid te maken hebben. Maar om nou als kermisattractie door een Vinexwijk te strompelen? Zoveel auto’s kom ik niet tegen op het fietspad waar ik meestal loop.

Heb ik een betere oplossing: mijn ‘oude’ Iphone is niet geschikt voor welke GPS-hardloop-gadget ook. Maar hij geeft wel licht!

89

De val van de muur komt dichterbij.
Twintig jaar geleden. Het was een donderdag, die 9 november, dat hoef ik niet op te zoeken. Ik was 10 en een half jaar oud en merkte niets van een stille revolutie in Leipzig. Dat er duizenden landgenoten gestrand waren in Hongarije: geen idee. En van Schabowski of de Stasi had ik nog nooit gehoord.

Ik lag lekker boeken te lezen op zes hoog zonder lift. En beluisterde Schallplatten in onze Plattenbauwohnung; zo heten de huizen die begin jaren 80 een einde maakten aan de woningnood.

Mijn rode halsdoek lag voorbeeldig in de bovenste la van mijn spaanplaten kastje. Voor onze nationale feestdag op 7 oktober tekende ik honderden blije mensen met rode vlaggetjes. Mijn ‘Abzeichen für gutes sozialistisches Lernen in der Schule’ hing nog net niet boven mijn bed, maar ik was er wel trots op. En toch was ik een materialistisch kind: alles wat ik in november 1989 ambieerde, was een barbie. (Dat kwam door mijn vriendin van één opgang verder, maar dat is een ander verhaal.)

Toen de muur echt viel, sliep ik.
Twee dagen later, op 11 november, stak ik voor het eerst de grens over. Met mijn vader en mijn overgrootoma. Zonder mijn moeder, want die vloog die dag voor het eerst in haar leven naar de kapitalistische vijand – in dit geval was dat IJsland. Ze had maandenlang op haar visum gewacht en toen ze het kreeg, bleek ’t niet meer nodig.

En wij liepen naar de bank, stonden in de rij om 100 DM ‘Begrüssungsgeld’ op te halen en gaven dat vervolgens onmiddellijk weer uit. Ik herinner me etalages met metershoge kerstmannen van chocola en dikke rietjes van de McDonalds die je gratis mocht meenemen. Diezelfde dag nog kreeg ik zo’n roze doos met lange benen in mijn hand gedrukt. Blij wandelde ik weer terug naar huis, naar de oostkant.

Wij hebben er toen geen stukken uit staan hakken; op de beelden van die nacht hoeft niemand te zoeken naar onze gezichten. Mijn moeder was de enige die het late avondnieuws keek. Ze vond het ongelofelijk. Maar is uiteindelijk toch maar naar bed gegaan.

Nu ben ik precies zo oud als mijn ouders toen. En mag ik erover meepraten. Want de val van de muur komt naar Utrecht. Op 7 en 8 november kun je inwoner worden van ‘Niemandsland’. Berlijn en de muur in het midden van Nederland.

Die wereldgeschiedenis gaat ook altijd een beetje over mij. En dus ga ik er nu voor de tweede keer deel van uitmaken.

Roze stippen

Een week lang houdt ie mij al bezig. Die grijze paal op een roze stip. Vorige week dacht ik voor het eerst: wat is dat toch? T-Mobile? Wifi-spot op het perron?

Het blijkt een paal voor de OVchipkaart. Nou lees ik daar als journalist regelmatig stukjes over. De essentie van het verhaal was tot nu toe altijd dat het ding niet werkt. Niet goed genoeg. Kan gekraakt worden. Liever niet. En veel te duur, plus nooit haalbaar. Al jaren staat het herhaaldelijk in de krant.

In mijn brein werd die informatie opgeslagen als: komt er dus nooit. Maar nu ineens blijkt die kaart er toch te zijn. En zelfs te werken.

Want op de dag dat ik die paal zag en meteen links liet liggen, mocht ik er een reportage over maken. En nu blijk ik één van de weinigen die heel ouderwets is. Jong en oud, wie we ook spraken, ze lieten mij hun chipkaart zien, wisten hoe de paal werkte en vonden het systeem zonder kaartjes nog reuze handig ook.

Verbouwereerd stond ik achter mijn camera. Gelukkig bleek er nog één vrouw een beetje op mijn lijn te zitten. Ze had geen idee wat het voor paal was en de roze stip deed haar denken aan oktober: borstkankermaand.

En omdat ik niet van roze houd en dat gele kaartje nog steeds koester, en ook omdat het nog jaren duurt voordat er zo’n paal op mijn lokale ministation staat, werd het een reportage over de geschiedenis van het treinkaartje.