Tsjoeketsjoeketsjoek

Nee, dit wordt geen blog voor huismoeders. Geen huis-, tuin-, keuken en kidsweblog. Wil ik niet. Weiger ik. Hoort in de meest stoffige hoek natuurlijk.

Helaas. Ik maak niet alleen maar reportages, maar heb ook het leukste kind op aarde. De vaste bloglezer cq vriendin/familielid kan dit beamen. En dus schrijf ik ook over mijn zoon. Geen ontkomen aan.

Maar het is dus ook zo gezellig. Net nog, toen we dus samen in de trein naar opa en oma afreisden. Overstappen in Arnhem, overstappen in Deventer. Op het perron van die laatste halte mag Max in het ouderwetse stationsrestaurant achter de balie bij de vrolijk kakelende koffiejuffrouw komen. Hij krijgt een stukje nougat in zijn vuistje en lacht heel tevreden.

We stappen een laatste keer over. Nu moeten we even volhouden met z’n tweeën. Nog vijf uur te gaan tot Berlin Hbf. Fles water, appel en brood (bwabwa) op tafel. We hebben een coupé voor ons alleen. Een eigen koffer met speelgoed die Max ook al zelf kan optillen. En genoeg redenen om af en toe op de stoel te klimmen en met zijn neus tegen het raam te plakken.

Hij vindt dat een trein tsjoeketsjoeketsjoek doet, terwijl ik hem dat niet heb geleerd. En hij weet wat voor geluid de S-Bahn maakt (voor wie het vergeten is, kom weer eens langs en praat maar met Max).

Hij zeurt niet eens of ie naar de wc mag. Of hoe lang de reis nog duurt. En of we er eindelijk zijn. Een betere reisgenoot kan ik me dus niet wensen.

Over een paar jaar kan ik hem net zo op de trein zetten als mijn moeder mij vroeger: “Wilt u een beetje op haar letten? Ze wordt in Magdeburg opgehaald!”. Daar ging ze en zwaaide en de maatschappij hield een oogje in het zeil tot mijn oma me weer oppikte, twee uur later.

Nee, samen reizen is toch veel knusser.

Ich bin ein Provinzberliner

Nu weet ik het. Ik ben maar een provinciaaltje. Wat ik stiekem niet graag wil toegeven, staat vandaag gewoon zwart op wit in een Berlijnse krant.

De Berlijner is – anders dan alle bezoekers en toeristen in de stad denken – eigenlijk maar een dorpsbewoner. Verder dan zijn eigen Kiezkomt ie niet. Als hij naast een Beier in de S-Bahn zit, walgt ie van zoveel buitenberlijnse invloeden.

De hele Prenzlauer Berg wordt bevolkt door Westduitse Yuppen, te herkennen aan hun Bugaboos. Met kerst kun je daar pas prima parkeren, want dan is iedereen weer ´naar huis´, naar Keulen of Paderborn of Freiburg. De Berlijner krijgt heel veel rimpels op zijn voorhoofd als hij aan Prenzlauer Berg denkt.

En ik hoor dus ook bij het genus dat zijn eigen stad minder goed kent dan de gemiddelde toerist. Geef ik bij deze ruimhartig toe. Nee, ik weet niet goed welk hotel mooi is om in te overnachten (dat doe ik namelijk nooit). Nee, ik weet ook niet waar je goed kan stappen (dat doe ik namelijk ook bijna nooit). Ja, ik weet wel een paar goede cafés, maar jouw reisgids kent er meer.

En als ik ergens aan de westkant van de stad moet zijn zoals vandaag, moet ook ik gewoon even op het S-Bahnplan kijken.

Ik weet wel hoe het is om hier iedere dag naar school te gaan. Om dagelijks de Berlijnse krant te lezen. En ik vind het gewoon om in de S-Bahn een boek te lezen in plaats van door het raam zitten staren. Zonder op te kijken weet ik ook waar ik uit moet stappen en buiten het station werkt mijn ingebouwde kompas feilloos.

Maar boven alles: ik weet hoe het voelt om hier thuis te zijn.

De M.

Nu is het gewoon geworden. En is ook doorgedrongen tot ons huis. Vriend J. is hoogstwaarschijnlijk geveld door de griep met de grote M.

We kennen elkaar al heel lang, maar nog nooit heeft ie zoveel dagen achter elkaar in bed gelegen. Hoofdpijn, spierpijn, moe en verkouden. En gewoon slap, slapper, slapst.

En dus moeten we ons nu zorgen maken over ons sociale leven. Vriend J. blijft natuurlijk ingestopt, maar mag ik nu nog wel op het feestje van vriendin M. en vriend J. komen vanmiddag? En moet je dan wel naar de intocht van Sinterklaas om 14 uur?

Tot nu toe red ik mij naast J. met mijn doodgewone verkoudheid. Gisteren was mijn stem verdwenen, vandaag keert ie langzaam terug. Alle fases van keelpijn, snotneus en hoest doorloop ik in sneltreinvaart, maar de rest van mijn lijf laat me gelukkig niet in de steek.

En ons mannetje? Die heeft blijkbaar de beste weerstand van de hele familie. Klein beetje snottebellen, af en toe een hoestje, maar hij springt en rent en doet.

Bij kleine baby’s mogen we nu niet meer in de buurt komen. Terecht. Maar moet ik nu ook de rest van de maatschappij voor ons beschermen? Eén stap voor mijn deur en ik besmet misschien de hele straat.

Hoe lang zou een mens binnen kunnen blijven?

Vier op een rij

Utrecht herdenkt de val van de muur. Alle reportages van afgelopen week nog eens op een rij. Helaas lukt het embedden even niet, dus jullie moeten het doen met de links naar de flashfilmpjes (klik op de filmsymbooltjes!).

Deel 1: Peter Bijl, organisator van Niemandsland

Deel 2: Betonrot, Tanja Otolski speelt haar eigen leven

Deel 3: Johan Carbo, verslaggever Utrechts Nieuwsblad in 89, herinnert zich

Deel 4: Jutta Wehmann, na 20 jaar weer terug in Utrecht

Debatteren

Ik heb een grote mond. Dat was vroeger al zo en is nu niet anders. En het was mede de reden dat ik vandaag voor het eerst een echt debat mocht leiden. Nou ja, echt? Debat? Discussie? Of kletsen we gewoon met z’n allen maar wat?

Debat stond op het papier, dus ik probeerde een goede debatleider te zijn. Ik had het voorbereid, wist met wie ik van doen had, de zaal zat driekwart vol en het zou wel loslopen.

De inleiding ging vlotjes, daarna was het oppassen geblazen. Want hoe lang moet je wachten tot je drie ervaren journalisten in hun Redeschwall mag onderbreken? Wanneer moet ik met het volgende onderwerp op de proppen komen? Wat doe ik met het publiek?

Kunstjes die ik nog niet helemaal onder de knie heb, maar die ik wel redelijk wist op te lossen. Met de loopmicrofoon lukte het om de oudere meneer vooraan, maar ook de jongere op de derde rij te betrekken bij de Duits-Nederlandse verhalen.

De losse flodders oppakken en daar een conclusie of slotwoord van draaien, dat kwam er moeilijker uit. En ondanks die grote mond was ik bloedje zenuwachtig.

Maar kwam ik ook verder dan ‘redelijk’? Ik zou het wel eens willen: dat mensen aan mijn lippen hangen, dat ik onmiddellijk interessant ben om naar te kijken of te luisteren. Dat ik de rode draad niet kwijtraak en her en der nog een grapje kan invoegen. Vandaag werd weer eens duidelijk: dat gaat niet zomaar. Daar moet ik gewoon heel hard aan werken.

Rode laarzen en een grote mond zijn niet genoeg.

De vrouw met de notensleutel

“Rustig blijven, hij ontploft pas over een kwartier.” Dat zegt de machinist van de trein, type B-merk. De motor is uit, het licht ook, en überhaupt is het veel te stil voor een wagon die me naar huis had moeten brengen.

Helaas, treinstel kapot, we kunnen niet verder. Gelukkig staan we stil op een station en niet in een weiland. Buiten is het donker en nat. Alle reden dus om in de trein te blijven wachten op de volgende. Die komt over vijftien minuten binnen, roept de zalvende vrouwenstem via de speaker.

De machinist is aardig en doet het licht weer aan. Zo kunnen we verder lezen met z’n allen. De zalvende vrouwenstem is terug. De trein die er nu zou moeten zijn, heeft helaas een kwartier vertraging. Zelfs lezen geeft nu geen rust meer, de eerste gesprekken ontstaan.

Eén vrouw staat in het middelpunt. In haar linker oor draagt ze een oorbel in de vorm van een notensleutel. Wit. Ze heeft een lege maag omdat ze samen met haar dochter zou eten, vertelt ze. Van een oud mevrouwtje in de stoel ernaast krijgt ze een halve kruidkoek. Zo ongeveer moet het in de oorlog hebben gevoeld, denk ik nog.

Daarna gebruikt de notensleutelmevrouw de relatieve stilte voor wat reclame: op 23 en 24 november treedt ze op in het theater, met een musicalkoor. “Dus wie nog kaartjes wil kopen, dit lijkt me wel een mooi moment!”.

Even later wordt ze opgehaald door haar man. Drie mensen mogen mee. Omdat het zo plenst, steek ik mijn hand op. Inmiddels heeft de volgende trein namelijk een ‘onbekende vertraging’, zegt de eveneens onbekende vrouwenstem.

We nestelen ons gedrieën in de warmte van de bolide. Als we over het spoor willen rijden, gaat de slagboom dicht. De vertraagde trein is er.

Maar dat geeft niets. Hier is het gezelliger. Bij deze nogmaals bedankt, notensleutelmevrouw!

En mocht u dit toevallig lezen, laat me dan nog even weten waar de voorstelling ook weer was en hoe ie heette. Zorg ik nog even voor wat extra toeschouwers!

Vriendjes

Leuk, zo’n kinderverjaardag. Het is eigenlijk net als in een discotheek. Je begint met een cola, dan maak je de overstap naar een wijntje. De mensen (moeders) die om je heen zitten, ken je niet, maar toch begin je aan een gesprek.

Nou ja, gesprek. Net als in een danspaleis of een goedbezochte kroeg moet je schreeuwen om elkaar te verstaan. Met het verschil dat er geen muziek aanstaat, maar kindergekrijs.

Nou kan ik niet tegen mensen die zeuren dat de dichtstbijzijnde crèche dicht moet, omdat de decibellennorm niet gehandhaafd wordt. Die moeten lekker onder een stoel kruipen of een radiostudio met gewatteerde muren laten bouwen.

Maar dat ze herrie kunnen maken, die kinderen van 4, 5 en 6, dat weet ik inmiddels. Ik werd uitgenodigd door de buurvrouw. Zoontje T. werd 4. En zei onlangs met poeslieve stem tegen mij: “Max is mijn vriendje”.

Max is mijn zoon en na zo’n ontboezeming kon ik er natuurlijk niet meer onderuit. Mijn eerste hollandse kinderverjaardag was een feit.

Naast herrie waren er een springkussen (gelukkig buiten), hapjes en drank die je zelf moest pakken. En daar hou ik dan weer van. Oppervlakkige gesprekken, maar dat geeft niks op zo’n middag. De kinderen bleven het grootste gedeelte van de dag buiten huppelen en springen en letten daardoor uitstekend op elkaar.

Urenlang geen omkijken naar mijn eigen zoontje, want die ging gezellig in de hoek met ongeveer 250 auto’s spelen. Eigenlijk dus best een grotemensenfeestje.

De ouders van de jarige waren wel al die tijd in touw. Hier aan een mouw plukken, daar een pleister op plakken. Kinderen tellen. Bijbehorende ouders opsporen. Nieuwe wijn regelen. Toastjes neerzetten. Springkussen opnieuw opblazen. Zakjes met tractaties meegeven. Jongste telg op bed, uit bed, oudste tot de orde roepen.

Ik heb de buurvrouw maar vast gevraagd of zij de volgende verjaardag van Max wil organiseren. Ik wil haar er zelfs voor betalen.