Waar bevalt het beter? – Deel II

In samenwerking met Duitslandnieuws.nl

Gefeliciteerd, je dochtertje is geboren. Wat ging er tijdens de bevalling anders dan in Nederland?


In mijn geval is dat niet helemaal de juiste afspiegeling van hoe het hier gaat, want ik koos tegen de Duitse trend in voor een thuisbevalling. Omdat ik in Nederland twee keer thuis ben bevallen, hoefde ik ook deze keer eigenlijk niet zo nodig in het medisch circuit terecht te komen. In Duitsland thuis bevallen is vrij uitzonderlijk; landelijk doet dat maar 2% van de vrouwen, in Berlijn 3% en dat schijnt al een hoog percentage te zijn. Er zijn ook amper verloskundigen die thuisbevallingen doen, landelijk zo’n 380, dat is verbazingwekkend weinig op een bevolkingsaantal van 82 miljoen.


Normaal gesproken gaan Duitse vrouwen naar het ziekenhuis of het geboortehuis zodra de weeën beginnen. Je mag er eerder naar toe dan in Nederland – daar vang je de weeën zo lang mogelijk thuis op – en je mag er ook na de bevalling langer blijven. De meeste vrouwen die ik ken, blijven zeker zo’n drie tot vier dagen in het ziekenhuis, ook als hun kindje helemaal gezond is. Dat heeft weer te maken met de Duitse hang om risico’s te vermijden, maar ook met het feit dat je hier geen kraamverzorgsters hebt. De eerste prille dagen hebben zij hun kraamweek dus eigenlijk in het ziekenhuis, met begeleiding van de zusters en eventueel je eigen verloskundige (Beleghebamme, heet dat hier, zij doet ook vaak de bevalling in het ziekenhuis, alleen als er iets mis gaat, neemt de gynaecoloog het over).


Bij mij ging het dus niet zo heel veel anders dan in Nederland, de verloskundige kwam op tijd en helemaal op het eind kwam er een tweede verloskundige bij, een collega van haar.


Wat vind je beter, wat slechter?


Ik ben nu natuurlijk zelf niet naar het ziekenhuis geweest, maar ik vind de Nederlandse gedachte dat moeder en kind het beste thuis kunnen herstellen na de bevalling, zo snel mogelijk, wel het fijnst. Mits alles goed is gegaan natuurlijk. Daarnaast is de Nederlandse kraamverzorgster een uniek beroep en ik gun zo iemand iedere vrouw  – dus ook iedere Duitse vrouw. Het is echt heel erg jammer dat het hier niet bestaat. De verloskundige komt ook wel iedere dag, maar zij helpt niet met het huishouden of je oudere kinderen. Er is een huishoudelijke hulp die je kan aanvragen, maar dat doen vaak alleenstaande vrouwen of vrouwen die een hele moeilijke bevalling hebben gehad. En omdat er geen kraamverzorgster is, is er ook veel minder begeleiding bij het voeden.


Mijn verloskundige begreep bijvoorbeeld het concept van kolven na de bevalling niet echt. Ik heb een elektrische kolf (zoals heel veel vrouwen in Nederland, omdat ze meestal na drie, vier maanden weer aan het werk gaan, maar nog wel borstvoeding willen blijven geven). En in Nederland ging ik meteen op dag 2 na de bevalling kolven om de melkproductie beter op gang te brengen (op advies van de kraamverzorgster, die daar ook echt wel alles van weet in de meeste gevallen). Opgetrokken wenkbrauwen bij mijn Duitse verloskundige, want zij was van mening dat je baby vaker aanleggen wel voldoende moest zijn. Mijn dochter Elise was een paar dagen later meer afgevallen dan ze mocht en komt nu maar heel langzaam aan. In week 2 koos ik er dus alsnog zelf voor om bij te kolven – en dat hielp meteen.


Weet je of er verschillen zijn per deelstaat?


Ik weet niet exact hoe het per deelstaat gaat, maar de trend is landelijk dat er steeds minder zelfstandige verloskundigen zijn. De meesten die dit beroep nog kiezen, werken in vaste dienst van ziekenhuizen. Er zijn amper meer praktijken met verloskundigen zoals in Nederland, omdat ze het geld voor de verzekering niet meer kunnen opbrengen. In heel Duitsland is er één aanbieder die verloskundigen verzekert voor de periode dat ze bereikbaar moeten zijn voor de moeders die gaan bevallen en die vraagt meer dan 4000 Euro per jaar per verloskundige. Een deel krijgen ze terug van de ziektekostenverzekeraars, maar niet genoeg, vinden de verloskundigen zelf.


Daarnaast is er landelijk nog een probleem: overal in het land (en vooral óp het land) sluiten geboorteafdelingen van kleinere ziekenhuizen. Over de gehele linie sterven er in Duitsland nog steeds meer mensen dan er worden geboren, en dus willen en kunnen veel ziekenhuizen dure geboorteafdelingen niet meer bolwerken. Dat leidt echt tot gekke taferelen in kleine steden en dorpen. Omdat er ook amper verloskundigen zijn, moeten zwangeren dan al twee weken van tevoren naar een grote stad afreizen om daar ‘in te checken’ in het ziekenhuis en op de bevalling te wachten (bijvoorbeeld het eiland Sylt: je moet dan naar het vasteland om te bevallen.

Of je moet het op de koop toe nemen dat je eerst een uur of anderhalf naar het volgende ziekenhuis moet rijden – geen fijne gedachte als je hoogzwanger bent, lijkt me.


Wat ik er niet aan begrijp – thuisbevallingen bijvoorbeeld kosten de ziektekostenverzekeraars veel minder geld dan een bevalling in het ziekenhuis. En toch moet je voor een thuisbevalling dus zelf bijbetalen, terwijl je een ziekenhuisbevalling volledig vergoed krijgt. Iets aan dat systeem klopt niet, het is niet logisch.


Duitsland wil graag iets doen aan de vergrijzing, is het daarom ook beter geregeld voor moeders (jonge gezinnen)?


Absoluut. Ze hebben zo ongeveer alles uit de kast getrokken om meer kinderen geboren te laten worden. Gek genoeg blijft het aantal toch nog steeds steken onder het Nederlandse gemiddelde, alleen Berlijn en Hamburg scoren hoog qua geboortes de laatste jaren. Kinderopvang is in Berlijn gratis vanaf 3 jaar (en vanaf 2017 zelfs gratis vanaf 1 jaar), je kan een heel jaar vrij nemen (oplopend tot 14 maanden als de vader ook twee maanden ouderschapsverlof neemt) en krijgt dan 67% van je laatste salaris doorbetaald. Dat is een hele luxe regeling die zelfs voor freelancers bestaat. Je laatste belastingaangifte bepaalt dan wat je van de overheid krijgt in dat babyjaar, met een maximumbedrag van 1800 Euro per maand. En in diezelfde periode vervallen ook je ziektekosten, dus je bespaart ook nog eens snel zo’n 500 Euro per maand, ziektekosten zijn hoog in Duitsland.


Daarnaast krijg je ook nog eens 180 Euro per maand per kind, Kindergeld, kinderbijslag. In Nederland is dat maar een fractie van dit bedrag. Duitsers weten vaak niet hoe goed ze het hebben, en eerlijk gezegd vraag ik me ook iedere keer af waar al deze kosten van betaald worden. En ook vooral waarom de Nederlandse staat dan nietietsjemeer kan uittrekken voor ouders en gezinnen, want eigenlijk is Nederland een veel vriendelijker land voor kinderen, dat heeft met de mentaliteit te maken, denk ik. Financieel is het hier voor gezinnen dus echt wel goed geregeld, ik zou heel graag willen dat de ministers van beide landen daar eens over om tafel gaan.


Je kan dus als vrouw een heel jaar lang vrij nemen voor je baby, meestal moet het ook wel, want de kinderopvang in Berlijn neemt zelden kinderen onder 1 jaar aan. Ik heb in dit geval een kinderopvang die dat wel doet, maar ik heb ook al heel vaak van mensen gehoord dat ik wel gek ben als ik niet dat hele jaar vrij neem. Als freelancer heb je de luxe dat je dat ook tussendoor nog mag bepalen, als je een grote opdracht hebt, kun je bijvoorbeeld een maand pauzeren en weer aan het werk gaan en na die maand laat je het ‘Elterngeld’ weer ingaan. Ik moet het wel allemaal nog aanvragen en weet dus niet of het echt van een leien dakje gaat, maar de regeling ziet er op papier erg goed uit.

Heb je nu in Duitsland te maken met meer papierwerk dan in Nederland?


Ja en nee. Als je als ongetrouwd stel bij het Jugendamt binnenloopt zodat de vader zijn kind kan erkennen (hetzelfde als in Nederland), dan treed je echt een kantoor binnen met een grote hangkast, met daarin allemaal dossiers met heel veel papier. Dat lijkt dus in eerste instantie onwijs ouderwets, er wordt weinig digitaal gedaan.

Daartegenover staat dat er genoeg ambtenaren zijn die je heel vriendelijk te woord staan en de boel best wel snel voor je regelen, met een glimlach en persoonlijke aandacht. Het oogt dus allemaal wat zakelijker en achterhaald op het eerste gezicht, maar in essentie moet je dezelfde administratieve dingetjes regelen. Een deel van de geldzaken verloopt via je ziektekostenverzekeraar en dan hangt het er maar vanaf bij wie je verzekert bent. Ik heb een hele goede die heel snel reageert en goed te bereiken is. En waar ook veel dingen digitaal kunnen. Het Elterngeld moet je wel per brief en met veel papierwerk en ‘bewijsmateriaal’ aanvragen – dat is omslachtiger dan in Nederland. Maar je krijgt dan ook geld van je overheid, dus dat heb ik er graag voor over.


Heb je in Duitsland andere tradities rond zwangerschap en bevallen?


Ja. Die zijn er amper. En dat vind ik heel erg jammer. In Nederland gaat de vlag uit na een bevalling, vliegen er ooievaren door de ramen, worden ballonnen opgehangen, borden met de voornaam in de tuin gezet – voor iedereen in de buurt is het een feestje als er een kindje wordt geboren. Sommigen vinden dat in Nederland overdreven, maar ik waardeer het enorm.

In mijn appartementencomplex hier in Berlijn zijn de afgelopen jaren drie baby’s geboren – nou, daar krijg je dan gewoon helemaal niets van mee. Geen ballonnen, geen versiering en ook bezoek krijgen Duitse vrouwen die bevallen zijn, pas veel later. Dat iedereen de eerste dagen binnen komt vallen, zoals gebruikelijk in Nederland, is hier Not Done. Moeder en kind worden zoveel mogelijk met rust gelaten. Ik snap het op zich wel, maar ik vind het prachtig dat Nederlanders er zo’n feestje van maken. Beschuit met muisjes, luiertaarten, kraammanden, kaartjes in de brievenbus – dat is hier toch allemaal wat killer en nuchterder, heel jammer. Wij hebben de versiering nog steeds aan de deur hangen en hebben ook ballonnen aan het balkon gehangen – wat dat betreft ben ik helemaal Nederlands geworden.


Hoe is de zorg geregeld na de bevalling?


Omdat de kraamverzorgster dus niet bestaat, krijg je dagelijks bezoek van de verloskundige. Zij weegt de baby en onderzoekt de stand van de baarmoeder. En dat is het zo ongeveer. Ik was er enorm verbaasd over na de bevalling: indeel 1kon je lezen wat voor onderzoeken je hier in Duitsland allemaal hebt voor de bevalling, maar na de bevalling wordt er hier veel minder onderzocht dan in Nederland. Vanuit Nederland was ik gewend dat er een zorgdossier is voor moeder en kind. Daarin noteert de kraamverzorgster iedere voeding, de huidskleur van de baby, de temperatuur van moeder en kind, de kleur van de poep. Iedere dag in die eerste week. .

Hier is er geen één keer temperatuur gemeten – niet van Elise en ook niet van mij. De verloskundige kijkt ook naar huidskleur en dat soort dingen, maar bijvoorbeeld niet naar de luiers en de poep van de baby (in mijn geval dan). Ze vroeg gewoon aan mij hoe dat eruit ziet. Dat gaat in Nederland wat preciezer, een kraamverzorgster kijkt dat echt allemaal exact na. Hier had mijn verloskundige wel een soort dossier, maar dat staat alleen maar op haar eigen papier, het is geen boekje dat ik vervolgens mag houden.

Onlangs heb ik het Nederlandse zorgdossier van mijn tweede kind er eens bij gepakt om te lezen wat er allemaal in stond. En nu heb ik dat echt als houvast als het om de voeding gaat – ik vind het toch erg goed dat het allemaal zo precies is opgeschreven die eerste dagen na de bevalling.


Ik heb het geluk dat mijn moeder bij mij om de hoek woont. Zij kende mijn verhalen van de kraamverzorgsters in Nederland en heeft die ook zelf meegemaakt bij mijn eerste kinderen – daarom heeft zij zoveel mogelijk overgenomen die eerste week en heb ik de kraamverzorgster zelf dus amper gemist.


Waar is het beter?


Ondanks alle discussies: ik zou ervoor zijn om het ideale midden tussen beide systemen te vinden. Vóór de bevalling: Naar de verloskundige als alles goed gaat, maar in Nederland wel sneller doorverwijzen naar de gynaecoloog, gewoon om soms het zekere voor het onzekere te nemen, het ‘natuurlijke’ slaat af en toe te ver door. En in Duitsland zou het er wat relaxter aan toe kunnen gaan, artsen zouden ook wel eens geruststellende opmerkingen mogen maken, iets meer meeleven met iets dat zo mooi is, niet alleen maar bezig zijn met de risico’s. Soms zijn ze simpelweg bezig met zichzelf in te dekken: ‘Ik heb alles onderzocht, aan mij heeft het niet gelegen als het misgaat’. Dat vind ik jammer. Zwanger zijn is geen ziekte, maar er kan genoeg gebeuren. Het is niet zwart-wit en het kan omslaan als een blaadje aan de boom. Een goede zorg zou dus net zo flexibel moeten zijn en dus moeten artsen en verloskundigen echt allebei het belang van de zwangere voorop stellen. Zowel in Nederland als in Duitsland zitten ze nog veel te veel op hun eigen eilandje.

En na de bevalling: Nederland moet eens kijken naar hoe Duitsland gezinnen financieel ondersteunt – daar is heel veel te verbeteren. En Duitsland mag ook kijken naar Nederland waar het gaat om de begeleiding door verloskundigen en vooral kraamverzorgsters – ook wat dat betreft kunnen ze dus nog behoorlijk wat van elkaar afkijken.

Duitsland of Nederland: Waar bevalt het beter?

In samenwerking met Duitslandnieuws.nl



Onlangs barstte in Nederland de discussie rondom zwangerschap en bevallen weer volop los. Zijn we in Nederland een voorbeeld voor andere landen, of gaat het bijvoorbeeld in Duitsland beter? Journalist Ulrike Nagel heeft inmiddels ervaring met zwanger zijn in beide landen. Volgens haar kunnen we iets van elkaar leren. Zij is van Duitse afkomst, maar woonde en werkte jarenlang in Nederland. Daar kreeg ze twee kinderen. Inmiddels woont ze alweer vier jaar in Berlijn en is inmiddels moeder geworden van de derde. Ze kan de zorg en cultuur rond zwanger zijn in beide landen nu goed vergelijken. Wat bevalt beter?

Je hebt al twee bevallingen meegemaakt in Nederland terwijl je bent opgegroeid in Duitsland. Maakte je toen dingen mee die je gek vond als Duitse?


Toen ik in 2007 merkte dat ik zwanger was, stapte ik naar mijn huisarts in Utrecht en verwachtte dat er iets ging gebeuren. Ze zat met zo’n schijfje voor mij waarmee je de datum uitrekent en feliciteerde me. En voorlopig ging er nu even niets gebeuren, zei ze. ‘Zoek maar een verloskundige en daar kun je je dan over een paar weken weer melden. Nee, wij controleren niet of je echt zwanger bent, dat doet de zwangerschapstest al voor 99%.’  Dus. Dat verbaasde me bijvoorbeeld wel, maar ik nam het ook gewoon van haar aan dat het zo ging. Vanuit Duitsland wist ik toen nog niet echt hoe het daar gaat, want ik was één van de eersten in mijn (zowel Duitse als Nederlandse) vriendenkring die een kind kreeg en ik woonde toen  al bijna tien jaar in Nederland.


Dus ik zocht een verloskundigenpraktijk en kwam daar dan regelmatig. Het hele proces – termijnecho rond de 9/10 weken om te bepalen wat de exacte datum is, 20-weken-echo, beetje wegen, bloeddruk meten en verder vooral hartje luisteren, 3D-echo rond de 30 weken – leek mij een logisch geheel. De bezoeken bij de verloskundige duurden altijd vrij kort, dat vond ik wel jammer, je staat in Nederland na 5 tot 10 minuten zo weer buiten. Maar de benadering was altijd erg positief en lief, ze ging ervan uit dat ik gezond was, dat alles natuurlijk zou verlopen, en precies dat gebeurde ook. Ik ben dus met beide kinderen nooit doorverwezen naar een gynaecoloog, daar was geen aanleiding voor. Pas als er risico’s zouden zijn, zo leerde ik, zou een iets ‘medischer’ traject in het ziekenhuis nodig worden.

Omdat het bij mij beide keren erg goed ging, vond ik het toen dus allemaal ook erg positief.


Vooral ook de houding rond de bevalling: mij werd heel goed duidelijk gemaakt dat ik zelf de keuze had; poliklinisch bevallen (dus na een bevalling in het ziekenhuis ook snel weer naar huis), of thuis.

Dat je thuis kon bevallen in Nederland vond ik als echt Berlijns kind uit de grote stad wel heel vreemd in eerste instantie. Dat leek me iets voor dorpjes begin vorige eeuw, dus mijn natuurlijke keuze werd dan ook het ziekenhuis. Als Duitse overweeg je zoiets ‘onbekends’ gewoon minder snel, het ziekenhuis lijkt de meest veilige manier; als er iets gebeurt, kan er snel worden ingegrepen.


En toen ging het bij de bevalling heel anders dan ik had gedacht: veel te snel. ‘Wij gaan nergens meer naar toe’, zei de verloskundige bij de geboorte van mijn eerste kind en daar was ik het onmiddellijk mee eens, ik had niet eens meer de trap afgekund. Die uren daarna staan in mijn geheugen gegrift – tegen mijn verwachtingen in vond ik de hele sfeer fantastisch thuis. Een kraamverzorgster kwam erbij, alle spullen werden opgeruimd zonder dat ik het doorhad, mijn bed werd opgemaakt als in een hotelkamer, alles was één en al harmonisch en goed.

Daarom koos ik er 3,5 jaar later bewust voor om ook mijn tweede kind thuis te krijgen. Ik was simpelweg ook een beetje benauwd om vlak voor de bevalling in een auto te moeten stappen en dan wellicht onderweg pijn te moeten lijden, met de gedachte ‘als we het maar halen, als we het maar halen’. Dan leek het mij thuis relaxter en dat was ook bij de tweede keer het geval. Die benadering ‘het is iets natuurlijks, jouw lijf kan dat’ heeft me altijd aangesproken, het zorgt voor veel mentale rust, ik ben nooit bang geweest voor mijn bevallingen in Nederland.


Nu komt de derde eraan en woon je al sinds een paar jaar weer in Duitsland. Welke verschillen heb je nu al gemerkt met Nederland?


Sowieso stap je hier in eerste instantie niet naar de huisarts, maar meteen naar je eigen gynaecoloog. Dat was ik van vroeger uit nog wel zo gewend, want als je in Duitsland aan de pil wilt in je tienerjaren, dan moet je verplicht naar de gynaecoloog oftewel ‘Frauenarzt’ zoals het hier meestal heet. Uitstrijkjes laten maken, de boel laten controleren en dan pas kun je van de assistente je pilrecept meekrijgen. En als je zwanger wordt, ga je logischerwijs naar dezelfde praktijk. Daar was ik dus zo weer aan gewend.


Wel was het onderzoek meteen heel anders. En ook de benadering van de artsen. In plaats van meteen te feliciteren, vroeg ze voorzichtig: ‘Is het een geplande zwangerschap?’ Mij viel op hoe ontzettend neutraal deze vraag was en ook dat de arts niet perse vrolijk en uitgelaten met mij en mijn nieuws begaan was – het was net alsof ze expres een slag om de arm wilde houden. De hiërarchische afstand tussen ‘arts’ en ‘patiënt’ voelde ik daardoor onmiddellijk. Het leek me in eerste instantie minder gezellig, minder meelevend, maar toen ik er meer over na ging denken, vond ik het ook vrij logisch. De praktijk zit in een stad met bijna 4 miljoen mensen, lang niet iedere vrouw die hier binnenwandelt, zal blij zijn met haar zwangerschap. En dus kan ook juist een vrolijk ‘Gefeliciteerd’ bij iemand anders totaal verkeerd vallen. En op die ervaring gaan ze af.


Qua onderzoek gebeurt er heel veel meer dan in Nederland. Meteen tijdens de eerste afspraak (dan ben je meestal 5 of 6 weken zwanger) checken ze met een inwendige echo of het ook echt zo is, of het er één of meer zijn, of alles in orde lijkt. Je moet in een bekertje plassen (en dat moet je vervolgens iedere keer standaard bij iedere afspraak), want je urine wordt getest op pH-waarde, eiwitten en bacteriën. Daarnaast wordt je nog serieus gewogen en wordt er niet alleen één keer bloed afgenomen, maar vaker. Van de gynaecoloog kreeg ik een soort boodschappenlijst in mijn handen gedrukt: Test voor toxoplasmose, 15 Euro, een extra echo 60 Euro en zo staan er nog veel meer tests op die je kan laten doen. Dat leek op hele goede voorzorg, maar deed mij ook beseffen dat zo’n praktijk met iedere aparte test ook gewoon geld verdient. Of je betaalt het privé, of je ziekenfonds vergoedt het en betaalt de praktijk vervolgens. Dat is wel degelijk één van de redenen waarom gynaecologen in Duitsland zoveel onderzoeken doen, naast het feit dat het Duitse gezondheidssysteem extreem risicomijdend is. Als er iets kán gebeuren, dan zullen we ook checken of het wellicht gebeurt. Ook al gebeurt er waarschijnlijk niks. Maar je weet maar nooit. Immers.


Vanaf de 25e week word je daarom al een kwartier lang aan een apparaat aangesloten dat meet of je weeën hebt, bijvoorbeeld. Ondenkbaar in Nederland, als je gewoon bij de verloskundige komt. En vanaf ongeveer 30 weken meten ze met een CTG een half uur lang de harttonen van je kindje. Het leek mij allemaal wel erg overdreven, ook omdat ze je eigenlijk geen goede uitleg geven waarom het allemaal nodig is. Tot ik een keer in de praktijk een somber kijkend stel voor me zag zitten. Ze waren duidelijk ongerust en even later werd de vrouw ook inderdaad op een brancard opgehaald door de ambulance. Een beetje subtiel ging ik vissen wat er aan de hand was: Ze was nog maar iets meer dan 20 weken zwanger. In de praktijk hadden ze kunnen meten via de echo dat het kindje veel te klein was, en bovendien hadden ze al weeënactiviteit gemeten. Slecht nieuws en dus meteen door naar het ziekenhuis. Sindsdien vraag ik me af of zoiets in Nederland net zo snel was opgemerkt. De vrouw had bloedverlies, en daar word je in Nederland doorgaans eerst weer even mee naar huis gestuurd. Hier dus niet, een goede Duitse vriendin heeft er een keer een hele week mee in het ziekenhuis doorgebracht, terwijl er niets aan de hand was.


Twee dingen zijn er dan aan de hand: Je wordt onzeker door al die poespas, al die onderzoeken, al die dingen die kunnen gebeuren – aan de ene kant. Bevallen wordt minder natuurlijk en krijgt een medische lading. Je durft minder op je eigen lijf te vertrouwen. Maar aan de andere kant kunnen artsen zo een stuk sneller handelen als er wél iets mis is.


In Nederland is de discussie nu heel actueel; en ook ik ken vrienden en bekenden in Nederland die nog voor de geboorte hun kindje zijn verloren. En vaak weten ze dan niet waarom en kan het ook niet goed onderzocht worden. En terwijl ik de Nederlandse ‘natuurlijke’ methode altijd erg goed heb gevonden, ben ik nu toch iets meer gaan twijfelen of het Duitse ‘monitoren’ wel zo slecht is.


In ieder geval is het erg duur, dat loopt hier soms de spuigaten uit. Maar als ouder die wellicht wat meer risico loopt, ben je er waarschijnlijk vooral bij gebaat.


Omdat ik twee kinderen thuis heb gekregen, heb ik ook hier niet zo heel veel zin in een ziekenhuisbevalling. Al is dat wel absoluut de standaard (maar ongeveer 3% van de Duitse vrouwen bevalt thuis en er zijn landelijk maar ca. 380 verloskundigen die thuisbevallingen doen), maar je hebt ten eerste de keus in welk ziekenhuis je wilt bevallen (dat schijnt echt een wetenschap te zijn als ik naar andere zwangeren luister, zij brengen hele middagen en dagen door om uit te pluizen welk ziekenhuis het fijnst is) en je kan ook andere varianten kiezen, een geboortehuis bijvoorbeeld, een tussenvorm tussen thuis (gezellig, knus, warm) en het ziekenhuis. Er zijn meerdere opties en iedereen kiest dat wat voor hem het beste voelt.


Ik ben op zoek gegaan naar een verloskundige die thuisbevallingen doet en die zijn er dus maar heel weinig. De verloskundigenpraktijken die ik belde, vertelden mij vaak: wij doen alleen de voorbereiding van de geboorte en de verzorging daarná, maar de bevalling zelf doen ze niet. Dat is te wijten aan een peperdure verzekering die verloskundigen hier moeten afsluiten. Per jaar betalen ze 4000 Euro of meer om zich voor de risico’s van de bevalling te verzekeren – voor heel erg veel verloskundigen simpelweg niet te betalen. En daarom stoppen er heel veel en is het een uitstervend beroep in Duitsland. Of je moet in het ziekenhuis als verloskundige aan de slag – maar dat wil lang niet iedereen, vertelt mijn eigen verloskundige die de dus ook eerder de ‘natuurlijke’ variant koestert en het niet nalaat mij regelmatig te vertellen hoe doorgeslagen ze het medische traject in Duitsland vindt.

Voor mijn lijf is die natuurlijke manier prima. En toch en toch. Als ik haar een echofoto laat zien, dan reageert ze daar amper op, want ze vindt ook dat er veel te veel echo’s worden gemaakt. Zij voelt hoe het kindje ligt, ze meet mijn buik en baarmoeder (echt met een meetlint trouwens), ze luistert harttonen en neemt iedere keer uitgebreid anderhalf uur de tijd voor een consult. Dat duurt mij vaak wel ietsje te lang, want vaak verzanden we ook in discussies over hoe het in Nederland gaat (dat lijkt haar wel fijner) en dat er in Duitsland veel te veel geplande keizersnedes zijn of dat er hysterisch gereageerd wordt als je al één dag over de datum bent. Alleen dat ze in Nederland geen urine controleren – daar begrijpt ze helemaal niets van, dat is een hele eenvoudige manier om bijvoorbeeld zwangerschapsvergiftiging op te sporen. Inmiddels begrijp ik ook niet meer dat dat in Nederland niet gebeurt. En een half uur lang harttonen van de baby luisteren – ook dat doet zij in haar kleine praktijk.

(Deel 2 volgt: De bevalling en daarna)

Draaien, monteren, draaien, monteren, draaien…enz

Ik heb volle dagen. Voor het nieuwe programma Rbbum4 ben ik eens in de maand een hele week op stap. Iedere dag ergens anders, iedere dag met andere mensen, iedere dag nieuwe dingen leren, domme vragen stellen. Echt, ik blijf het zeggen, het is gewoon een super leuke baan. Mijn enige beperking: Draaien tussen 9 en 12 (en dus echt niet langer), dan een plek zoeken (bij voorkeur met een fijne lunch en een stopcontact en natuurlijk een tafel en een stoel). En dan tot drie uur ’s middags monteren, want dat is mijn deadline.

Dan hol ik naar buiten met mijn laptop, sta vaak buiten met de eindredacteur die mijn reportage beoordeelt en dan snel de SP1-wagen in (nee, ik weet ook niet wat het betekent, maar er zitten drie mensen en een heleboel knopjes in) om het in het systeem in te laden. Daarna koptelefoon met microfoon op en de voice over inspreken – en dat moet in deze wagen in één keer goed.

Afgelopen vrijdag en vandaag dwaalde ik op deze manier rond op de Grüne Woche, Duitslands grootste voedsel- en levensmiddelenbeurs en misschien ook wel de grootste van Europa. Zeg maar, minimaal tien grote giga-hallen vol met eten uit alle windstreken. Dan sjok ik met mijn volle en zware camerarugzak en mijn statief door de hallen. Tegenwoordig ook met mijn dikke winterjas en een lange onderbroek, want ja, buiten is het -3 en je moet op alles voorbereid zijn.

Gelukkig zijn er dan meteen aardige mensen. Die ik uit pure noodzaak meteen vastklamp om te vragen waar ik mijn spullen kan laten. Die ik dan een microfoontje geef en met wie ik dan meteen zonder omhaal begin te filmen – voorgesprekken – daar heb ik geen tijd voor. Halverwege het draaien merk ik dan gelukkig meestal dat ik toch best wel goed zit met mijn tijd. Dan ga ik ook eens zitten en praat gewoon zonder camera met de kok, stalmeester, slager, meubelmaker, boer, student, historicus. Na twee of drie uurtjes zeg ik meestal alweer gedag, maar het zijn fijne kleine persoonlijke ontmoetingen, die kleine fijne portretten opleveren.

Als ik klaar ben met monteren, sjok ik met alle spullen weer terug door alle hallen, naar de omgebouwde vrachtwagen van de Rbb die vanaf 16 uur gewoon ’studio‘ heet. En dan sjok ik nog een keertje terug door alle hallen, terug naar mijn auto, die ik gelukkig de komende vier dagen wel mag houden. Mijn ‚eigen‘ rbb-auto. Mijn reportage is meestal al uitgezonden als ik de eerste bocht om ben – dat is televisie.

Morgen weer een nieuwe dag. En een nieuw verhaal.

Uitzending van vrijdag, 15 januari, met Hendrik Haase over de Grüne Woche (vanaf ca. 8’00)

Uitzending van maandag, 18 januari, samenvatting Brandenburghalle, Grüne Woche (vanaf ca. 9’15)

(Uitzendingen zijn doorgaans zeven dagen beschikbaar)

————————————————————————————————————————

(Het sein dat niemand binnen mag komen, want dan lees ik dus net de voiceover)

Niet binnenkomen DUS! (gebeurt toch)

Inmiddels heb ik al op (te) gekke montageplekken gezeten. In een hokje op een boerderij, in de bibliotheek van de Hogeschool, in een luxe Italiaans restaurant, op kantoor bij de stalmeester (met bed), op het kantoor van een bioloog, omgeven door plantenmonsters. En ik weet van tevoren bijna nooit waar ik kom te zitten. Dus benieuwd wat het morgen wordt.

Donker

De bladeren liggen op grote hopen in de stad en raken doordrenkt van regenwater. Na wekenlange zonneschijn, blauwe luchten, paarsroodoranje pracht aan de bomen wordt het nu donker. 

De takken zijn al nagenoeg leeg, na de droogte regent het nu iedere dag pijpenstelen en voor vannacht is de eerste echte herfststorm voorspeld. De donkere dagen voor Kerst beginnen hier bijzonder vroeg, om vijf uur ’s middags is het nu al pikkedonker. 

Het zijn woelige tijden waarin we meer licht nodig hebben. 

Daar werd ik gisteravond dan ook met nadruk op gewezen door een meneer die  onze fietsen niet goed kon zien. ‚Zij heeft geen lamp op haar fiets!‘, constateerde hij, wijzend naar mijn dochter, enigszins aangedaan door deze publiekelijke schennis van iets dat hoort. Ja meneer, begon ik glimlachend, ‚we zijn er nog mee bezig‘. (Het was de eerste dag dat ze van de kinderopvang met de grotere fiets terug reed etc. etc.). 

Dat vond hij geenszins een argument. Hij keek boos, heel boos naar mij, mijn dochter en onze fietsen. ‚Dat is gevaarlijk!!‘ Ehm, ja. ‚En u fietst hier nu ook nog op straat!!!‘. Ik keek even om me heen om te constateren dat we in een wel erg rustige woonwijk stonden, nergens een auto te bekennen. Hij ging maar door.

En toen werd ik boos. Ja, je moet licht hebben. En ja, ik weet dat dat gevaarlijk is. Maar hij had het ook bij één vriendelijke hint kunnen laten in plaats van door te ratelen vanuit de hoogte.

Dat kon hij niet. Misschien was hij oprecht bezorgd, maar dat klinkt toch anders. Licht op de fiets was voor hem te belangrijk. 

Op deze dag blijkbaar belangrijker zelfs dan Parijs, belangrijker dan aardig doen, belangrijker dan zoveel andere dingen die er echt toedoen. Daar moest ik aan denken.

Uiteindelijk heeft hij natuurlijk gelijk. Ok, meneer, ik zal lampen op de fiets maken. Heel rap. Al was het maar om het allemaal een beetje lichter te maken voor iedereen, in deze donkere dagen.

Bulettenkultur met Franz (en Antoine en Dirk)

Altijd hetzelfde. Je woont in een stad waar mega veel te doen is en je lijst met dingen die je in een paar jaar wilt zien, wordt eigenlijk iedere dag langer. Maar afgelopen weekend lukte het weer even om de vieze borden te laten staan, de kinderen even aan de oppas over te dragen en op de fiets te stappen. Want we wilden iets meer weten over Franz Biberkopf. Wie dat is? De hoofdpersoon van het boek dat journalist Antoine Verbij hier omhoog houdt: Berlin Alexanderplatz. (En we zouden er Buletten bij krijgen, dus ja, dan wil je wel een stukje trappen.)

Ik heb het nog nooit gelezen, maar toen er vanuit de Berlijnse Avonden een fietstocht langs de plekken van Biberkopf werd georganiseerd, wilde ik mee. Gewoon omdat we dat veel te weinig doen. En omdat ik het boek al wel honderd keer wilde lezen.

Meneer Biberkopf wordt uit de gevangenis vrijgelaten en stapt dan in de tram in een overvol Berlijn. In 1929, een fascinerende tijd in deze stad. De ‚Goldene Zwanziger‘, met een uitbundig en vrijgevochten theater- literatuur- en uitgaansleven, maar met een diepdiepe economische wereldwijde crisis die ook Berlijn al in de nek ging hijgen. En de eerste antisemitische leuzen doken ook al op.

Wie er veel meer over weet, dat is die meneer met die baard en die bril linksonder, hier aan de Münzstraße. Dirk Wissen is bibliothecaris, was lang bibliotheeksdirecteur in Frankfurt Oder en heeft een bijzondere fascinatie voor de schrijver Alfred Döblin. Hij fietste mee, las passages uit het boek voor en vertelde over de tijdsgeest van Franz en Alfred. 

En hij weet ook hoe de Alexanderplatz er toen uitzag. Een echt plein, met kruislings tramlijnen, Galeria Kaufhof heette ‚Tietz‚ en aan de andere kant van het spoor stond ‚Wertheim‚, nu een grote bioscoop. Waar tieners naar rubber meurende goedkope accessoires bij Primark inslaan, stond vroeger een kerk – de Georgenkirche, al lang verdwenen. Alleen het gebouw hier rechts van de Fernsehturm bestond al, het Berolinahaus. De U-Bahn werd net aangelegd. En dat lijkt wel een beetje op vandaag de dag: De U5 wordt immers vanaf hier verder gebouwd tot aan Hauptbahnhof, dus nog steeds is het een Baustelle de komende jaren.

Het boek mag dan Berlin Alexanderplatz heten – Dirk Wissen heeft in een vlaag van verstandsverbijstering alle voorkomende straten in het boek geteld (dat doen bibliothecarissen, zei hij met een glimlach) en is erachter gekomen dat eigenlijk ‚Berlin Rosenthaler Platz‘ de titel had moeten zijn. Waarschijnlijk vond de uitgever dat niet goed, dat plein kende destijds immers haast niemand.

Regen, maar wel doorfietsen. Naar de Schlachthof (waar onmiddellijk de zon doorbrak). Berlijn heeft zoveel huizen en straten, maar soms ga je één hoek om en dan ligt er ineens een gigantisch grasveld voor je neus, een plek waar je iedere dag omheen kan fietsen zonder ‚m te zien, want daarvoor moet je nou net even verkeerd afslaan.

Ik was hier nog nooit verkeerd afgeslagen. Nu zie je vooral nog het skelet van één van de oude hallen, daarnaast is fietsenwinkel Stadler, gevestigd in de voormalige veilinghal voor runderen.

Eind 19e eeuw werden hier koeien, varkens en kippen verhandeld. Een heleboel gingen er meteen levend in. En kwamen er geslacht uit. Om de vier miljoen hongerige Berlijners te voeden. Het totale gebied is bijna 5 hectare groot, inmiddels zijn hier heel veel woningen en winkels ontstaan. (Meer lees je hier, via een erg coole interactieve kaart). Een fascinerend groot veld waar we even bleven plakken en waar veel kinderen aan het voetballen waren of vliegers de lucht in stuurden.

Franz Biberkopf is hier natuurlijk ook geweest. En zijn bedenker – Alfred – beschrijft in het boek minutieus en gedetailleerd hoe de dieren werden geslacht. (Gelukkig gingen we hier nog geen Buletten – Berlijnse gehaktballen – eten, dat bewaarden we tot het einde). 

Vanaf de Schlachthof is het maar een heel klein stukje fietsen naar de Frankfurter Allee, niet alleen het startpunt voor de pracht- en praalstraat van de DDR (Karl-Marx-Allee), maar ook de plek waar Alfred Döblin zijn artsenpraktijk had, vlakbij de vroegere bioscoop en nu soort-van-evenementenhal Kosmos. Die man schreef niet alleen boeken, maar behandelde met name zieke mensen. De échte reden waarom we hier stopten: Bier en Buletten bij Dirk thuis.

Ok, we kregen ook nog fragmenten van twee films te zien, de versie van 1930 en die van 1980 en werden prachtig voorgelezen door de Duitse stem van Friko kaas. Maar de Buletten waren toch wel het hoogtepunt. Met bier. 

Het was oppassen geblazen met de mosterd: Net ernaast lag namelijk wel de allereerste uitgave van het boek (de nieuwste Nederlandse uitgave heeft nu weer dezelfde prachtige omslag). En daar mag je niet zomaar op knoeien (volgens mij is het gelukt om ‚m heel te laten). We kregen ook nog huiswerk mee: Of we even konden opzoeken op welke pagina de Buletten eigenlijk staan, want Dirk en Antoine gaan er vooralsnog van uit dat Franz Biberkopf die het liefste at, maar ze leverden geen bewijs.

Het was een mooie tocht. En ik ga het uitzoeken, dat huiswerk. Want ik ga het boek nu eindelijk lezen.

Denk ik.

Draaien in de Berlijnse nazomer

Het is een fijne week met nieuwe technische snufjes. Draaien met de iPhone is nog ‚Neuland‘ voor mij, maar Sabine Streich is een soort mentor die je alles kan leren op het gebied van techniek. Opgeleid als fotograaf stond ze aan de wieg van de videojournalistiek, leert de journalisten bij Deutsche Welle nu hoe ze items moeten draaien, met spiegelreflex/DSLR-camera’s, maar tegenwoordig dus niet alleen als VJ (het Duitse camjo, Videojournalist), maar ook als MoJo (mobile Journalism). En dat doet ze zelfs in Namibia, waar de jonge journalisten helemaal geen computers hebben en daarom direct op hun telefoons monteren. 

Voor respekt.tv gingen we vandaag samen draaien met alle gadgets die we konden vinden, een Lumix Panasonic G4, een GoPro, mijn iPhone, een Leica-camera voor foto’s en een Sony spiegelreflex als reserve. 

Helaas moet ik dan de komende dagen weer even binnen zitten om alle beelden aan elkaar te rijgen, maar ik zal wel proberen om nog een glimp van de Berlijnse nazomer op te vangen in de lunchpauzes.

Mijn verhaal over de muur op Berlijnblog.nl

Ik was 10 toen de muur viel. Op mijn 5e kwam ik in 1984 in Berlijn
wonen. Ik ben geboren aan de Oostzee, in Greifswald, waar mijn ouders
studeerden. Destijds gingen heel veel Oost-Duitsers vanuit alle streken
naar de hoofdstad van de DDR; mijn moeder kwam uit het noorden, mijn
vader uit het zuiden. Berlijn was destijds al de plek waar je moest zijn
voor een goede werkplek en dus verhuisden we naar een
2-kamer-appartement met een kolenkachel. Ik herinner me dat het altijd
koud was en dat mijn vader iedere ochtend naar de kelder moest om kolen
te halen. Dat werden mijn ouders snel beu en dus grepen ze de kans
midden jarig 80 om in één van de gloednieuwe Plattenbauten in Marzahn te
gaan wonen. Centrale verwarming en meteen warm water zonder boiler –
dat wilde iedereen wel en dus woonden we daar in totaal 9 jaar, in het
begin nog tussen de zandbergen, met heel veel andere jonge gezinnen. Tot
mijn 19e bleef ik in Berlijn en ging naar de middelbare school in de
wijk Lichtenberg; daarna wilde ik de ‘wijde wereld’ in en dat werd
Nederland.

Wat is je eerste herinnering aan de Berlijnse Muur?

Marzahn ligt ver uit het centrum. Wij woonden ook nog eens aan de rand
van Marzahn, Ahrensfelde, daar waar de stad ophoudt. Het duurt ongeveer
drie kwartier voordat je in de binnenstad bent. Dat er een muur was,
wist ik heel lang helemaal niet. Ik kan me niet herinneren dat ze daar
op school ooit iets over vertelden en ook van mijn ouders hoorde ik er
niets over. Ik was het wel gewend om als klein kind al de S-Bahn te
nemen en naar het werk van mijn moeder te gaan. Zij werkte in de buurt
van Friedrichstrasse, vlak bij de grens. Je moest enorm ver lopen om bij
haar werkplek te komen en na de Wende werd dat makkelijker. Als je één
halte verder uitstapte (destijds Lehrter Stadtbahnhof, nu Hauptbahnhof),
bleek de weg naar haar werk veel korter te zijn. Maar zo ver lopen, dat
had dus met de muur te maken.

Voor de val van de muur heb ik de muur zelf nooit bewust gezien. Mijn
eerste herinnering is pas van februari 1990. Toen gingen we met familie
speciaal naar de muur om te kijken, en foto’s te maken. We wandelden van
de Brandenburger Tor
naar de Rijksdag en ik weet nog dat ik het absurd vond hoe dicht die
twee gebouwen op elkaar stonden. Dat de lijn en dus de muur tussen die
twee zo ongelofelijk smal was. En dat je nu dus zomaar naar die andere
kant kon lopen. Ook al had ik daarvoor geen benul van de muur, ‚m nooit
gezien, ik besefte wel dat er nu iets heel erg anders was dan daarvoor.
Dat je daarvóór een heleboel dingen niet kon doen en vooral ook een
heleboel dingen niet kon kopen. Van dat bezoek begin 1990 zijn er ook
foto’s, niet veel, want mijn ouders voelden zich helemaal niet geroepen
om zomaar in dat ding te gaan hakken. Mauerspechte – dat vonden zij maar
niks. Ze waren al lang blij dat hij weg zou gaan, maar tussen de
menigte gaan staan en er zelf iets uithakken – dat deden ze niet.

Heb je ooit een grensovergang gepasseerd – hoe voelde dat?

Als kind kwam ik nooit in West-Berlijn of West-Duitsland. Terwijl wij
daar wel familie hadden wonen. Ik weet dat mijn moeder eens is
uitgenodigd voor een verjaardag in de buurt van Beckum, en toen haar
aanvraag was goedgekeurd, ging zij in haar eentje. Mijn vader en ik
bleven gewoon thuis. Ook al was ik vrij klein, ik was me er wel degelijk
bewust van dat zij een grens passeert en dat zij naar een ander land
gaat waar wij niet zomaar kunnen komen. Hoe dat komt? Door het
speelgoed. In de late jaren ’80 hadden wij gewoon West-Duitse
televisiezenders en door de reclame wisten alle kinderen wel heel goed
wat je allemaal voor speelgoed kon kopen. En ja, dat was veel
kleurrijker en spannender dan wat bij ons te koop was. Ik wilde niets
liever dan een Barbie, ook omdat één van mijn beste vriendinnen haar
hele kamer vol had liggen met Westers speelgoed, want haar grootouders
woonden in Oostenrijk en stuurden geregeld pakjes op. Zij had de
Westerse versie van Pippi Langkous (dat zijn blauwe boekjes in
Duitsland, nog steeds), terwijl ik de ingekorte witte Oost-Duitse versie
had. Ze had Barbies en ze had knuffels met een rugzakje op die je
helemaal om kon keren, zodat ze in hun eigen tas verdwenen. In fel roze,
blauw, groen. Ik kende de spullen ook van de Intershop, een winkel waar
je West-Duitse spullen kon kopen, maar eerst je geld moest omwisselen.
Mijn overgrootoma ging daar wel eens met mij naar toe en het was een
walhalla. Het rook er ontzettend lekker naar koffie en Haribo en er
waren Monchichis; heel exotisch. Ik wilde het allemaal. Uiteindelijk nam
mijn moeder voor mij een Steffi mee, een nep-Barbie, waar ik ook heel
even teleurgesteld over was. Ze had wel een jurk die licht gaf in het
donker, en dat was wel enorm gaaf, vond ik.

De eerste grensovergang die ik zelf over ging, was op 11 november 1989,
twee dagen nadat de muur was gevallen. Ik ging met mijn vader en mijn
overgrootoma; op weg naar haar twee zussen in West-Berlijn. Volgens mij
was het de grensovergang Invalidenstrasse. Volgens mij waren we te voet
en het ging gewoon heel soepel: we mochten doorlopen nadat we onze
paspoorten hadden laten zien. Ik voelde er niet zo heel veel bij, maar
was me wel degelijk ervan bewust dat dit iets bijzonders was. Dat we nu
naar een wereld gingen die voor ons heel erg onbekend was.

Hoe heeft de Berlijnse Muur je leven beïnvloed?

Niet zozeer de muur, maar het leven in Oost-Duitsland heeft ervoor
gezorgd dat ik met de normen en waarden van het socialisme ben
opgegroeid. Als scholier leerden we bepaalde regels; de liefde voor je
ouders, de dagelijkse reiniging van het lichaam, dat je je best deed met
sporten en dat je altijd je allerbest moet doen op school – dat waren
dingen die je niet alleen vanuit huis meekreeg, maar waar de staat
letterlijk invloed op uitoefende. Ik werd Jungpionier en Thälmannpionier
(jeugdverenigingen waar je je eigenlijk niet aan kon onttrekken en die
vooral symboolkarakter hadden), ik streefde er naar om mijn
schoolrapport voor de hele school uitgereikt te krijgen. Een streber was
ik; en dat was precies wat de staat je ook inpeperde. Hoe je moest
zijn. Ik was een voorbeeldige leerling, ik kreeg buttons opgespeld voor
‘Gutes Sozialistisches Lernen in der Schule’ en daar was ik trots op.
Wat het allemaal echt betekende – dat had ik op die leeftijd natuurlijk
niet door.

Voor onze familie was het wel vanzelfsprekend dat we in dit land
woonden. We kenden het niet anders. Mijn overgrootoma is met mijn oma na
de oorlog gevlucht uit wat destijds Duitsland was en nu Polen (Pommern)
en alles wat de DDR te bieden had, was voor hen een ongekende luxe.
Warm water, fijne woningen, wasmachines, genoeg te eten – dingen die het
leven veel makkelijker maakten dan het daarvoor ooit was geweest.
Iedereen had werk, alles was op zich prima geregeld. De donkere kanten
van de dictatuur voelden wij amper. Mijn ouders wel, zij waren 30 toen
de muur viel en zij zagen ook aankomen dat de staat het niet langer meer
zou volhouden. De economie was op, de argumenten van de politici waren
alleen nog maar façade – en zij voelden dat feilloos aan. Toch was deze
staat ons thuis.

Twee zussen van mijn overgrootoma waren na de oorlog toevallig aan de
Westkant beland – gewoon omdat ze net ietsje verder gingen reizen. Dat
vind ik wel altijd een aparte gewaarwording. Contact was er wel, meestal
via ansichtkaarten of af en toe een telefoontje. En van wat nichtjes
kregen we gedragen poloshirts en truien, die waren kleurrijker dan onze
kleren. Maar ik heb nooit gemerkt dat iemand erg verdrietig was dat de
rest van de familie ergens anders zat. Het was zo, dus ja. Ik heb een
nogal pragmatische familie. Zij legden zich erbij neer. Toen de muur
gevallen was, hadden de zussen weer meer contact met elkaar, maar het
was te merken dat het niet altijd van harte ging. Mijn overgrootoma zei
altijd dat ze daar alleen maar over geld praten en dat ze niet eens zelf
taarten kunnen bakken, maar die gewoon uit de diepvries pakten. En dat
vond ze vreselijk. Er was weinig gemeenschappelijke basis meer na 40
jaar.

Inmiddels ben ik vanaf 1989 natuurlijk in dat ‘nieuwe Duitsland’
opgegroeid en negen jaar later in Nederland. Op die manier ben ik toch
behoorlijk ‘verwesterd’. Ik ben achteraf blij dat ik niet meer als
tiener in de DDR moest leven – ik denk dat mij dan zeker was opgevallen
dat er van alles en nog wat niet deugde aan deze staat. Maar zo heb ik
vooral een beschermde en heel erg zelfstandige jeugd gehad, waarin ik
zelf mijn gang kon gaan in de stad, als 6-jarige al een eigen sleutel
had en mijn eigen pannenkoeken bakte omdat mijn ouders allebei werkten.
Heel modern eigenlijk.

Hoe heb je de val van de Berlijnse muur beleefd?

Op de avond dat de muur echt ‘viel’, sliep ik gewoon. We woonden dus ver
van het centrum, mijn vader had die avond gekaart met vrienden, had wat
borrels op en lag al te slapen. Mijn moeder was de enige die nog wakker
was en het nieuws zag. Ze probeerde mijn vader nog wakker te schudden,
maar die snurkte door. Ze hebben geen aanstalten gemaakt om zo laat ‘s
avonds nog naar het centrum te gaan.

Toen we op 11 november bij de Invalidenstrasse dus voor het eerst de
grens overgingen, was dat zonder mijn moeder. Zij had Ijslands
gestudeerd en probeerde al jaren om eens naar dat land te reizen. Vlak
voordat de muur viel had ze eindelijk haar visum en haar vlucht ging op
10 november! Dat was heel toevallig en zij werd dan ook door de
Ijslandse presidente ontvangen omdat ze de eerste Oost-Duitse was die na
de val van de muur naar Ijsland reisde. We waren dus met z’n drieën,
mijn vader, mijn overgrootoma en ik en we gingen ons Begrüßungsgeld
ophalen en onze familieleden opzoeken. Dat was volgens mij in de buurt
van de Kurfürstendamm. We stonden een tijdje in de rij tot we het geld
hadden en werden toen door onze familie opgehaald. Ik weet er niet veel
meer van, maar één van de eerste dingen die een groot-tante van mij deed
was me meeslepen naar een McDonalds. Ze liep naar de rietjes, pakte er
een hele stapel uit en drukte die in mijn hand. “Deze mag je hier gratis
meenemen!” En ik was wel degelijk onder de indruk. Niet dat het gratis
was (bij ons kostten levensmiddelen en dat soort dingen immers heel erg
weinig), maar dat de rietjes zo dik waren. Ik kende alleen maar hele
dunne rietjes die we ook gebruikten om zeepbellen te maken, want
bellenblaasflesjes bestonden niet. Regelmatig slikte je dan een beetje
zeepwater door als je het te ver had opgezogen, heel vies.

We zagen etalages met kerstmannen van chocola, wel één meter hoog. En we
kochten een Barbie. Een echte. Dat was eigenlijk mijn hoogtepunt na de
val van de muur. Die pop heb ik gekoesterd en vertroeteld en heel veel
mee gespeeld, mijn moeder naaide zelf kleren voor haar. En het bleef
mijn enige, zo bijzonder was het.

En daarna? Toen de muur al een tijdje gevallen was? Veranderde de wereld
voor mij alleen heel geleidelijk. Mijn moeder hield haar baan gelukkig,
mijn vader niet; hij begon als vertegenwoordiger voor West-Duitse
bedrijven en dat ging met horten en stoten de jaren daarna. We kregen
nieuw geld, ik ging naar het gymnasium precies op het moment dat
West-Duitse kinderen ook de overstap van de basisschool naar de volgende
school maakten. Iedereen kocht een videorecorder en op de lege
parkeerplaatsen van Marzahn verrezen videotheken. Met pornofilms op de
bovenste plank; dat staat me nog zo voor ogen. Ik vergroeide gewoon met
dat nieuwe land, het voelde voor mij niet als een abrupte overgang.

(Op de foto sta ik tweede van links, met turquoise broek en in de gele plastic tas een walkman, samen met mijn tante, oom, neef en nicht, en rechts mijn vader)

Hoe vind je Berlijn veranderd sinds de Berlijnse Muur is gevallen?

Enorm. Oost-Berlijn was grijs en stil. Althans, dat idee heb ik. Koude
woningen, veel kolenkachels, weinig gezellige winkels. Ik heb dat soort
herinneringen natuurlijk niet allemaal in mijn hoofd, maar als ik nu
foto’s zie uit die tijd, dan is de verandering gigantisch. Marzahn was
lelijk met de betonnen platen en overal aarde en zand. Destijds werden
natuurlijk pas de eerste bomen geplant, inmiddels is het één van de
groenste wijken. Als kind zag ik dat niet hoor; wij hadden daar de tijd
van ons leven. Alle ouders werkten fulltime en dus gingen wij met
groepjes op stap. We klommen over de zandbergen, kropen door de betonnen
buizen die overal lagen, liepen de supermarkt (Kaufhalle) in en kochten
lolli’s voor 5 Pfennig. Of een broodje. Kostte ook maar 5 Pfennig. We
verzamelden oud papier en glazen door bij mensen aan te bellen. Die
gaven het ons allemaal mee en wij leverden het weer af en spaarden het
geld in een spaarbus in onze klas.

Al die dingen bestaan niet meer. Kinderen van zes zie je tegenwoordig
weinig meer alleen door Berlijn klauteren; kolenkachels zijn er ook nog
maar een paar en de stad is bruisend geworden. Ik heb Berlijn natuurlijk
in 1998 al een keertje vaarwel gezegd en heb vanuit Nederland nog beter
kunnen zien wat er allemaal verandert. Iedere keer als ik weer bij mijn
ouders kwam, was er een nieuwe giga bouwput. Potsdamer Platz.
De Hauptbahnhof. De regeringsgebouwen naast de Rijksdag. Een ineens
stralend witte Brandenburger Tor in plaats van de oude grijze die ik
gewend was. De stad is veel internationaler geworden, vooral de
afgelopen tien jaar. Nog steeds ben ik het liefst in het oostelijke
gedeelte. Hier staan de oude gebouwen, hier zijn fijne en hippe
winkeltjes gekomen, bijvoorbeeld in Friedrichshain waar vroeger alleen
woningen waren, maar geen winkels. Nu kun je er rondsnuffelen in
boekenwinkels, kledingboetiekjes, stoffenzaken, lunchen en koffie
drinken. Of russische thee. Of Marokkaanse. Of Chai Latte. Je kunt het
zo gek niet bedenken, of het is hier te krijgen. Na vijf voetstappen sta
je al voor het volgende café. In West-Berlijn voel ik nog wel eens hoe
het vroeger moet zijn geweest, ook een bepaalde idylle, een eigen
wereldje dat alleen de West-Berlijners met elkaar deelden. Dat gevoel
overkomt me als ik een oud dametje in een café in Charlottenburg zie
zitten. Toch blijf ik een Oost-Berlijns meisje. De stad is veel
dynamischer geworden, levendig. Dag en nacht. En heeft toch een bepaalde
rust en ruimte weten te behouden. Hopelijk blijft die ook de komende
jaren nog een beetje bewaard. Maar ik denk dat het waar is wat Karl
Scheffler ooit zei: “Berlin ist dazu verdammt, immerfort zu werden und
niemals zu sein.”

(Geschreven op initiatief van Marjolein van der Kolk, van berlijnblog.nl)

Een aardappelboer in Berlijn

Het is een cliché. Boeren blijven vooral op hun land en geen paard dat hen de grote stad in krijgt.

Niet perse waar, weet ik nu.

Sinds gister ken ik een aardappelboer die de verre reis vanuit Noordoost-Groningen naar Berlijn aandurfde. Zijn erf staat in Roodeschool, dat is dus niet alleen het Noordoosten van Nederland, maar ook nog eens het Noordoosten van de noordelijkste provincie. En het laatste treinstation van Nederland. Hier stopt alles. (Ok, de Eemshaven heb je ook nog, maar gemakshalve laat ik die voor deze column even achterwege).

Die aardappelboer uit Roodeschool is de vader van mijn oud-huisgenote uit Groningen. Zij is de reden dat ik überhaupt weet wat een boer is en wat ie doet, waarom er in augustus alleen maar over piepers gepraat wordt en dat dat dus ook kan – op het land leven, kilometers ver naar school fietsen, niets anders dan kale vlaktes zien en dat toch overleven.

Deze boer en zijn vrouw (die dus minstens evenveel doet in het bedrijf en ook nog de administratie bijhoudt) staan nu op mij te wachten in de Knesebeckstraße. Voor een mooi hotel. „Prachtig! Alles! Dit! De stad! En Potsdam! En het verkeer! Schitterend!“ schalt het mij tegemoet. Ze zijn al drie dagen in de stad en hebben dus al wel een beetje iets gezien.

Toen ik hoorde dat ze naar Berlijn zouden gaan, had ik voorgesteld hen een dagje mee op sleeptouw te nemen. Ik heb wel eens bij hen gelogeerd jaren geleden, aan hun keukentafel gezeten, de gigantische grote schuren bewonderd, de bergen aardappels, hen uitgevraagd over hoe dat in zijn werk gaat. Waar ze die overal verkopen en of je daarvan rond kan komen.

Ook nu leerde ik weer iets van hen. Terwijl we in bus 100 zitten en van het Westen naar het Oosten van de stad rijden, vertellen ze dat ze vaak rond deze tijd op vakantie gaan. De piepers zitten in de grond, het is wachten geblazen en dus is mei een mooie tijd om het erf even het erf te laten en iets voor lichaam en geest te doen. Het is niet hun eerste keer in een grote stad. Ze rijden naar Denemarken, zijn een paar jaar geleden in Dresden geweest, zijn geïnteresseerd in geschiedenis en urenlang lopen vinden ze geen enkel probleem.

Het is een feest om hen rond te leiden. Ze vragen mij het hemd van het lijf en ik moet geregeld Wikipedia raadplegen om antwoord te kunnen geven. Ze bedanken mij, betalen mijn Flammkuchen en kijken gefascineerd naar de restanten van de muur in de Bernauer Straße. Ze weten veel van de twee Duitslanden, hebben het ook in de jaren ’80 allemaal op de voet gevolgd en vinden het haast jammer dat ik nog maar 10 jaar oud was toen de muur viel. Want anders waren mijn herinneringen misschien nog een tikkeltje spannender geweest.

We wachten op de metro. „Dat is zo mooi, he? Dat je precies kan zien hoe lang je moet wachten! Kijk dan, nog 2 minuten. En ze zeggen precies welke stations er allemaal komen. Dat heb je bij onze bus niet.“

Prachtig vinden ze het in de stad. En het is oprecht. Ze kijken met grote ogen om zich heen en ik geniet ervan dat ze een mooie tijd hebben. Morgen vertrekken ze weer naar de stilte van hun land. Naar de schuur en naar de trekker. Naar al die hectare grond met heel veel niets erachter.

Af en toe denken ze dan misschien aan mij en aan hoeveel minuten het nog zal duren voordat mijn volgende metro vertrekt.

Vier dagen embedded

„Boeh“, zeg ik als ik binnenkom door de zware houten deur. Zeven gezichten staren mij verbouwereerd aan vanuit de seminarie-woonkamer. Een daarvan is van mijn oud-collega Michael. „We zitten eigenlijk even in bezinning.“

In bezinning, in bezinning… Wat zou dat nou weer zijn, denk ik. En besef dat ik met mijn drie tassen en mijn vriendelijke bedoelingen iets te vroeg binnen stap. Er was mij een biertje beloofd, een afzakkertje na vier dagen werk. Maar kwart over negen is te vroeg. „Het duurt nog tot kwart voor tien ongeveer, ik zal je laten weten als we klaar zijn.“

Ik ga naar mijn kamertje waar ik al drie nachten heb geslapen. Pak de camera weer uit, sluit ‚m aan op de laptop om het materiaal dat ik vandaag heb opgenomen in te laden.

Het is maandag. Donderdag avond ben ik hier al ingetrokken met mijn spullen. Vier dagen, veertien interviews. Drie afspraken op een dag. De talloze vieringen, missen en gebeden niet meegeteld.

Ik ben in een voor mij vreemde wereld beland.

Ik heb niks op met de kerk. Tot mijn 20e wist ik eigenlijk niet eens wat het inhield. In Oost-Duitsland werd er geen reclame voor gemaakt en op de scholen waar ik zat en in de wijken waar ik woonde, kende ik niemand die gelovig was. Op vakantie liep ik er naar binnen, maar wat de mensen daar op hun knieën deden – ik had er geen benul van, ik vond de eeuwen oude gebouwen gewoon heel erg mooi.

Tot ik in Nederland kwam, mijn eerste huisgenote in Groningen ontmoette en zij mij vertelde dat ze iedere zondag naar de kerk ging. Dat ze aan catechisatie deed (ik moet het nog steeds opzoeken om te weten wat het is) en dat de normen en waarden waar ook ik naar leefde toch echt uit de bijbel en het geloof waren overgenomen. De geschiedenis van onze hele westerse samenleving is verweven met het christelijk geloof? Ik kon me niet herinneren dat zulke dingen in mijn geschiedenisboeken stonden en vond het allemaal maar vreemd.

In de loop der jaren wende ik eraan dat er veel meer Nederlanders waren die in God geloofden. Ik had evenveel ongelovige vriendinnen, maar in ieder geval wist ik nu van het bestaan af en had ik inmiddels ook bedacht dat de anderen niet zo heel erg gek waren, maar dat er gewoon een groot gat in mijn culturele opleiding gaapte. Ik zat wel eens in de kerk voor een bruiloft of een uitvaart, had een vriendin die ‚van God los’ was, naar een kerkgemeenschap zien terugkeren en vond het allemaal wat gewoner dan eerst.

Afgelopen december kreeg ik ineens een bericht van mijn oud-collega Michael. Zes jaar lang heb ik met hem samengewerkt in de journalistiek. Een aantal jaar geleden maakte hij op de redactie kenbaar dat hij een nogal aparte carrièreswitch ging maken. Hij wilde priester worden. Een ongewone keus voor een journalist. Vonden althans alle collega’s.

Hij ging een deeltijdopleiding volgen en zat nu twee keer per maand ergens in Breda weggestopt te studeren. Wat hij daar precies deed, dat wisten we niet, wél dat het geen grap was en dat hij echt al exact wist op welke datum hij zijn baan ging opzeggen om de laatste twee jaar opleiding daar af te maken. Vorig jaar zomer was het zover.

Deze winter vroeg hij me in zijn bericht of ik naar Bovendonk wilde komen om filmpjes te maken. Portretten, interviews, reportages voor een website van het Bisdom. Over roepingen. Waarom God mensen roept en wat je daar op moet antwoorden.

Hij wist dat ik met zulke taal weinig op heb. Dat ik een tamelijk sterke atheïst ben die niet in een God gelooft. Ik voelde me vereerd dat juist ik werd gevraagd. En zei onmiddellijk ‚ja‘. Maar juist omdat ik zo weinig weet, vind ik het ook allemaal machtig interessant. Waarom worden zij door iemand geroepen? Hoe klinkt zoiets? En hoezo wil je dan priester worden? Ze moesten allemaal wel heel erg anders zijn dan ik als ze zo’n weg kozen.

De priesteropleiding Bovendonk is een klein Harry-Potter-kasteeltje. De rector (dat is de baas van de opleiding) draagt zwart, met zo’n klein wit dingetje bij zijn hals. Om hem heen staan 6 mannen en in het weekend komen daar nog 15 bij, voor een studieweekend. Ik word er stil van. De eerste 24 uur houd ik me enorm in. Ik praat zachter en minder, knik vaker en luister. De mannen stralen bijna allemaal een serene rust uit en dat neem ik over.

Ook omdat ik voorzichtig wil zijn. Hoeveel kan ik laten zien van mezelf? In zo’n oord waar gebeden het dagritme bepalen? Waar je niet moet vloeken en eigenlijk ook niet hardop lachen?

Eén voor één leer ik de jongens en mannen van de opleiding kennen. Ik praat met docenten die gewoon lesgeven in de theologie. Met één van de weinige vrouwen die hier komen en die verantwoordelijk is voor ‚persoonsvorming‘; jezelf leren kennen. Met de bisschop van Breda, die in de plechtige viering heel streng en ontoegankelijk lijkt, maar die tijdens het interview een hele leuke gezellige man blijkt te zijn.

Slim zijn ze allemaal. Moet ook wel, want om het hier vol te kunnen houden, moet je minimaal op hbo-niveau kunnen leren en hele dikke boeken met de geschiedenis van de verschillende geloven door ploeteren. Je wordt bovendien binnenste buiten gekeerd. Wil je dit echt wel? Ben je verantwoordelijk genoeg? Kun je het leren om regelmatig te bidden? Sta je open voor anderen? Kun je luisteren? Kun je leiding geven? Ben je spiritueel genoeg om helemaal voor het geloof te leven?

Veel van deze mannen zijn zo genaamde ‚late roepingen’. Pas op hun 30e of 40e ontdekten ze dat er meer moest zijn in het leven dan een hele gewone baan. Ik praat met een softwareontwikkelaar, een ambulance-medewerker, een account manager en een kraanmachinist. Alle vier zitten ze doordeweeks in hun ‚oude‘ baan en in het weekend op de opleiding. Twee werelden die onverenigbaar lijken, maar zij krijgen het voor elkaar.

Althans – dat moet nog blijken. Sommigen zijn gelukkig getrouwd en willen als diaken werken. Anderen hebben weinig moeite met het celibaat en voelen zich geroepen om priester te worden. Maar er vallen ook veel mannen af. Omdat ze merken dat het te zwaar is. Of omdat ze verliefd worden.

Ondanks grote onderlinge verschillen lijken ze een hechte gemeenschap te vormen. Omdat ik iedere dag met hen opsta, ontbijt, lunch en ook ’s avonds eet, omdat ik heel direct naar hun persoonlijke beleving en gevoel mag vragen, ga ik er al gauw bij horen. Met al mijn verwondering. Steeds vaker durf ik zomaar vragen er uit te gooien. Vragen die ik zelf heb. Hoe houden ze dat vol? Waarom staan ze zo ontzettend vroeg op en waarom is de laatste dienst pas om tien uur ’s avonds? Waarom mogen alleen maar mannen meedoen? En wat voelen ze dan als ze het over God hebben? Ze geven overal antwoord op.

Ook Michael. Voor het eerst kan ik aan hem vragen hoe het allemaal precies zit. Waarom hij een radio- en televisieredactie heeft achtergelaten voor een nieuw leven. Hij geeft antwoord. Open en eerlijk.

Ik merk dat ik verwachtingen had van tevoren. Stille mannen, in gebed voorover gebogen. Volop bezig met hun eigen geloof. 

Tot zover helemaal waar. 

Maar dat ze niet zouden lachen, niet hardop zouden kunnen kletsen, hun blik op de ‚gewone’ wereld kwijt geraakt zouden zijn – nee. Ze drinken bier, ze zitten gezellig bij elkaar en maken grapjes, ze giechelen wel eens als op de middelbare school, nemen elkaar in de maling en ze kunnen ook nog eens prachtig zingen. Ik heb niemand tien centimeter boven de grond zien zweven.

Waar ze precies in geloven en vooral wat ze daarbij voelen – dat is de grens die ik niet helemaal kan passeren. Ik begrijp de priesters en diakens in opleiding beter dan ik ooit had gedacht, maar tot in de laatste vezel invoelen hoe dat moet zijn – nee, dat is niet gelukt. 

En dat is misschien maar goed ook, een beetje journalist houdt nog steeds een beetje afstand.

Berlijn bevriest

-12 was het vanmorgen. En strak blauwe lucht.

Dus prachtig licht en reden om naar buiten te gaan.

Voor de kinderen om te sleeën op een dun laagje sneeuw.

Voor mij om foto’s te maken.

’s Ochtends zie je van binnen al de ‚klirrende Kälte‘ buiten.
Hier waar wij wonen, is er veel groen en veel water. In de winter betekent dat: takken en ijs.

Een paar kleine heuvels zijn voldoende om dagenlang te sleeën. Ook al is er helemaal niet veel sneeuw gevallen. 

Onze voeten en wangen bevriezen al langzaamaan, maar de kinderen voelen nog niets.

We gaan kijken hoe ver de baai van de Spree voor onze deur al is dichtgevroren. Behoorlijk, afgelopen woensdag zat er alleen nog maar een beetje ijs langs de rand.

In Nederland zouden de ijsmeesters al lang met hun stok klaar staan. Hier zegt iedereen: ‚ga vooral niet het ijs op!‘. (IJsmeesters bestaan hier dan ook niet). Het zijn ongeveer 5 tot 6 cm, maar het water eronder is diep. Dus we wachten nog.

Heel in de verte zie je ook nog dat we in een stad wonen. 

Nog even genieten van het uitzicht. Maar dan wordt het toch echt te koud. 60 minuten lang -12 graden.