Berliner Schule

We zijn alweer heel wat stappen verder.

De tijd holt vooruit, wij proberen aan te sluiten en nemen een sprintje.

Tjonge, waar blijven de dagen, weken, maanden? Ik heb werkelijk geen idee.

Het was net nog zomer, toen waren de bladeren ineens oranje en ondertussen liggen de straten en parken vol met alles wat zojuist nog aan de boom hing.

En wij zijn bezig met scholen.

Toen we nog in de Achterhoek vertoefden, stond dat onderwerp al eens op de agenda. Hier hebben we nog twee jaar respijt, want kinderen gaan in Duitsland pas op hun 6e naar school.

30 augustus 2014 – dat wordt de dag waarop Max met een Schultüte op het schoolplein staat (samen met duizenden andere Berlijnse kinderen) en met zijn hele familie feest mag vieren, want ‘Einschulung’ nemen ze hier nogal serieus en dan mag je qua cadeautjes en feest helemaal los.

Welk schoolplein het wordt, weten we pas in mei – want de juiste school vinden is hier niet zo makkelijk.

Het Duitse onderwijs is van nature gericht op het verwerven van kennis. Letters, getallen, lezen, rekenen, een beetje experimenteren met natuurwetenschappelijke dingen en goede cijfers op je rapport – dat is meer dan wenselijk, vindt men.

Anno 2013 vinden steeds meer Duitse ouders dat dit type basisonderwijs niet meer bij hun kinderen past. En aangezien de meeste openbare basisscholen nog vrij ouderwets zijn en er weinig is veranderd wat het klassieke ‘voor-de-klas-staan-en-een-monoloog-afsteken’ betreft, wijken steeds meer ouders uit naar scholen die het anders doen.

Waldorf-scholen.

Montessori-scholen.

Evangelische (Protestantse) scholen.

Katholieke scholen.

Internationale scholen.

Demokratische scholen (ja hoor)….

Deze lijst zou ik nog kunnen voortzetten, ware het niet dat ook ik niet alle schooltypes ken die er verder allemaal nog bestaan.

Het aantal particuliere basisscholen groeit in Berlijn. En dat ligt vooral aan het feit dat deze scholen meer gericht zijn op kinderen als individu. Eerder kijken naar talenten en sterktes, in plaats van zwaktes. En die de gemeenschap op school belangrijk vinden. Dat je samen een hecht team bent, dat je voor elkaar opkomt en de ander respecteert. Kortom: scholen die naar emotionele en sociale aspecten kijken in plaats van alleen maar wiskunde- of natuurkundeles geven.

Iets dat Nederlandse basisscholen mijns inziens al lang hebben begrepen. Het basisonderwijs is over de gehele linie al individueler geworden; de basisschool om de hoek is doorgaans prima, vinden veel Nederlandse ouders.

Dat vinden ze hier niet.

En dus is het echt een RUN op de scholen die het anders doen.

Om op de school van je keuze aangenomen te worden, moet je dan ook een soort van ratrace afleggen. Het aanmeldingsformulier invullen volstaat niet. Je moet op z’n minst een begeleidende brief schrijven waarom juist JIJ en waarom juist JOUW kind op deze school moet. En waarom je het pedagogische concept van juist deze school zo goed vindt. Zonder weloverwogen argumenten kom je hier nergens.

Beter nog: langsgaan. Glimlachen. Je door vrienden in de buurt laten introduceren. En dan, als je toch niet op gesprek bent uitgenodigd, nóg een brief schrijven.

De stad zal wel te groot zijn, iedereen is op zoek naar felbegeerde schaarse plekken.

Als de ‘gewone’ basisscholen voor de hoger opgeleide bevolkingsgroep niet meer voldoen, moet je dus met elkaar wedijveren om de beste plekken.

Het slaat helemaal nergens op.

En toch doen we mee, want ja; goed onderwijs willen ook wij voor ons kind. Als dit de (ongeschreven) regels zijn, dan zal het wel moeten.

We weten pas in mei wat het wordt. De ‘gewone’ basisschool om de hoek die tal van vrienden afraden. De iets betere school aan de overkant met dat mooie schoolplein. Of de particuliere school waar iedereen in onze buurt zo over te spreken is.

We hebben besloten ons niet zo druk te maken als de meeste Duitsers doen.

Hoe het uiteindelijk op al die scholen eraan toe gaat, merken we toch pas volgend jaar.

We nemen vooral een hele Nederlandse houding aan: het zal heus goedkomen allemaal.

Antonov

In oktober vorig jaar maakte ik deze foto. Op vliegveld Bienenfarm in Brandenburg, ten westen van Berlijn, toen we zelf een rondvlucht met een Cessna gingen maken. Op de achtergrond een oude Antonov, prachtig rood glinsterend in de zon. En hij matchte zo goed met de muts van mijn zoon.

Gisteravond stortte het vliegtuig met 12 passagiers neer vlak na de start. Oorzaak nog onbekend. Vandaag had ik weekenddienst bij de rbb en dit werd mijn nieuwsonderwerp. Ik herkende het toestel meteen.

Toevallig. Hij was over de kop geslagen, maar gelukkig waren er maar 5 licht gewonden. 

Met twee trekkers en een paar lange kabels werd de machine overeind getrokken, door de 17-jarige zoon van een lokale boer. Knap werkje. En ondanks de schade van ongeveer 80.000 euro (total loss) zag ie er nog steeds statig uit.

De foto heeft er een extra verhaaltje bij gekregen.

Aardige Duitsers bestaan: Mijn Apotheker!


Berlijn is maar een dorp.

Dat is niks nieuws, in feite is het een verzameling van allemaal dorpjes. Zo is de stad gegroeid, zo begon het allemaal in de Nikolaiviertel. Het dorpje Cölln en het dorpje Berlin kregen een brug, en toen was er een stad.  Waar steeds meer dorpjes (wijken) bij gingen horen. Die allemaal aan elkaar groeiden. Wie zijn eigen wijk niet uitkomt, noemt het ‘Kiez’ en gedraagt zich behoorlijk hetzelfde als iemand uit een Nederlands, Engels of Frans dorpje. Dorf. Village.

In de loop van de eeuwen is er wel een bepaalde stadse hardheid ingeslopen. Niet meer groeten op straat, je buren niet kennen, niet opkijken in de S- of U-Bahn, je kan hier behoorlijk anoniem en onherkenbaar over straat, zonder ooit te worden aangesproken.

Datzelfde gedrag leggen ze hier ook wel eens aan de dag op plekken waar het minder gepast is. Bij de kassa in grote winkelcentra, in de bus, of op het postkantoor. (Niet bedacht, zelf meegemaakt.)

“Op dat kaartje moet wel een postzegel van 3,45 Euro! Vanwege de aparte vorm.”

“Wow, dat is wel erg duur, waarom is dat dan?”

“(*Zucht*) Ja, mevrouw, ik heb het ook niet bedacht. Ik vertel het u alleen.”

Een belletje naar de arts, nadat ik een recept heb gekregen.

“Ik wilde even navragen waarom ik dit medicijn zelf moet betalen, u heeft mij dat recept net gegeven.”

“Omdat we dat niet meer vergoed krijgen van de verzekeringen.”

“Maar hoezo niet? Het is toch een middel tegen hoesten? En daar heb ik last van?”

“(*Zucht*) Omdat we dat al een paar jaar niet meer vergoed krijgen van de verzekeringen.” Klik.

Kom daar maar eens om in Nederland. Uitleg of zo? Daar doen ze hier vaak niet aan. Dienstverlening? Dat ze jou een dienst verlenen – nee hoor. Ze staan daar met een hele andere gedachte: ‘Ik moet nog 17 jaar en dan loop ik hier de deur uit’. Zo’n soort houding.

Maar dan was daar ineens de uitzondering die de regel bevestigt. En die verleent diensten (jawel, echt) in een apotheek.

Apotheken zijn hier leuker dan in Nederland. Ze lijken veel meer op winkels, je hebt er frutsels, snoepjes, cosmetica en heel veel schappen waar je in rond kan neuzen. Zo wordt ziek zijn iets gezelliger, zeg maar.

In deze apotheek (waarvan ik nog niet wist dat het mijn ‘vaste’ apotheek ging worden) hebben ze bovendien twee eenvoudige hobbelpaardjes voor kinderen. En dat is dus best vertederend (en handig) als je er naar binnen loopt met je dochter van anderhalf.

Ik ben er twee keer geweest met mijn kinderen. Twee keer riepen de medewerkers glimlachend na twee minuten al vanaf de toonbank: “Oh, laat ze maar hier, we passen wel op, we zijn tot 19 uur open!”

Het verbaasde mij. Ik kreeg extra uitleg over koortsstuipen. En als je je op je gemak voelt in een apotheek, stel je dus nog veel meer vragen. Dingen die je altijd al wilde weten maar die je anders gewoon ging googelen, omdat die mevrouw of meneer je eigenlijk gewoon zo snel mogelijk de apotheek uitkeek.

Vandaag liep ik zonder kinderen naar binnen.

“Ach, vandaag alleen op pad?”, vroeg de Apotheker (sympathiek, grijs, brilletje, type…..nou ja, apotheker dus, zonder witte jas).

“Ja, vandaag even zonder kinderen, ik moet tenslotte ook een beetje opknappen.” (Ik overhandig mijn recept).

“Het is u niet ontgaan dat er een lichte teleurstelling weerklinkt in mijn opmerking?” (Hij zei het echt heel poëtisch, ‘Es ist Ihnen nicht entgangen, dass eine leichte Enttäuschung mitschwingt in meiner Bemerkung?”).

Ik moest lachen. Hij vond het gewoon jammer dat mijn kinderen niet mee waren. Een betere klantenbinding voor moeders is er toch niet?

Mijn medicijn was niet op voorraad, maar moest besteld worden. Om drie uur zou het er wel zijn.

“Maar u bent eergisteren ook al speciaal terug gekomen. Dat hoeft vandaag niet. We laten het bij u bezorgen vanmiddag met onze koerier.”

Die koerier rijdt heus niet alleen voor mij. Maar vooral voor oudere mensen die niet iedere keer terug kunnen fietsen. Maar toch: exact (exact!!!) om 15 uur gaat de bel. Een aardige oudere meneer overhandigt mij een zakje.

Op de voorkant: keurig een briefje met mijn naam en adres.

Binnenin: mijn medicijn.

En twee knuffeltjes voor mijn kinderen.

En nu hou ik dus van die man.

En ga ik nooit meer naar een andere apotheek.

En zeg ik tegen mijn ouders en buren dat ze er ook naar toe moeten.

Zo moet het voelen om in een dorp te wonen.

1 jaar

Onlangs zag ik de foto weer. Mezelf zittend achter het vertrouwde bureau in Utrecht. Quotenknaller – zo heette mijn dienst op mijn laatste dag. Het nieuws op de hielen, zodra een bericht binnenkomt, bellen, bellen, bellen, en om reactie vragen. Teksten typen en alles even later in het nieuwsbulletin terughoren. Geen relaxte laatste dag, maar toch een hele eenduidige taak, met mij als vis in het water, aan het roer, de boel onder controle, hoe je het noemen wil. Professionele soepelheid. Zo voelde het vaak. En ook op die dag.

Dat is nu een jaar en één week geleden.

Precies een jaar geleden nam ik de trein. Drie personen, enkele reis vanaf de grens. De vrachtwagen zou pas twee dagen later komen, ik ging alvast vooruit.

Deze week vond ik het kaartje van vorig jaar in mijn rugzak. Keurig bewaard in het achterste vak, ik was het wel al lang vergeten.

Eén jaar.

1 jaar.

Mijn dochter is inmiddels 1 geworden.

Alle dagen het klokje rond.

Hoe voelde die treinreis?

Hier zou nu: bijzonder – apart – eenmalig – vol van heimwee – gek – kunnen staan. Maar al die bewoordingen zouden niet kloppen. Ik kan me die treinreis namelijk amper herinneren.

En dat is pas echt apart.

Het is namelijk op een of andere manier heel gewoon dat we hier wonen. Ondertussen zijn we al heel wat keren op en neer gereisd naar Nederland, en hebben wederom opgemerkt dat 650 kilometer niet veel is. Niet voor ons, wij gaan sinds 1994 op en neer met dezelfde trein.

Daar wonen? Hier wonen? Is er wel zoveel verschil?

Emigreren is niet meer wat het was. Ik wordfeud nog steeds tegen dezelfde collega’s. Ik speur Facebook en Twitter af en doe dat nog steeds vooral in het Nederlands. Omdat het zo gegroeid is met de jaren. Ik zit in whatsapp-groepjes met mijn vriendinnen, foto’s en berichtjes vliegen heen en weer en het maakt in feite niet uit waar we zitten.

Het helpt natuurlijk ook enorm mee als je schoonbroers hebt die op donderdag bellen en vragen: “kan ik morgen langs komen? Blijf ik tot zondag! Gezellig!”. Ze zijn hier minstens even vaak op bezoek als in onze laatste Nederlandse woonplaats. Ze blijven iets langer dan voor een tosti, maar zo heb je ook veel meer tijd voor leuke gesprekken en mooie ondernemingen, blijkt.

Tuurlijk. Mijn vriendinnen zie ik te weinig. Veel te weinig. Spreek ze ook niet vaak. En dat mis ik. Een van mijn beste vriendinnen is net bevallen, maar haar dochtertje zal ik toch echt pas zien als ze 4 weken oud is.

Ondertussen bliept gelukkig mijn telefoon en kan ik haar digitaal bewonderen. En in Nederland zaten we ook al behoorlijk ver uit elkaar en moesten we de agenda’s erbij halen om elkaar te zien.

Ooit hoop ik dat ik zomaar voor een kopje koffie weer even bij hen kan binnen kan wippen.

Maar voorlopig zitten we goed in een zomers Berlijn.

Eén jaar is niks. De verhuizing lijkt echt nog niet zo lang geleden.

Maar we zijn dus ook niet ver weg.

Alles is normaler dan ik ooit had durven denken.

Fanatiek fietsen

Ik ben niet zo’n fanatiekeling. Althans, in het begin wel heel even. Dan wil ik ineens piano leren spelen of geneeskunde studeren. Heel fanatiek ratelt het dan in mijn hoofd. Maar na vijf minuten sterft het idee alweer een stille dood. Terwijl het dus wel heel even serieus aanvoelde.

Met fietsen ben ik toch een klein stukje verder gekomen. Ik heb een racefiets, bijpassende schoenen, een echt vrouwenzadel (waarvoor ik in een winkel speciaal met mijn zitbotjes op een soort meetlatje ben gaan zitten), een helm en zelfs een tasje met een reserveband erin. In de Achterhoek ging ik geregeld een rondje fietsen. Altijd hetzelfde rondje (dat is toch een beetje de hardloper in mij), altijd 20 km, altijd deed ik er 54 minuten over. Geen prestaties om over op te scheppen, maar de terugkomst voelde fijn. Ik had iets gedaan, gesport, zonder het te merken, en mocht weer een wijntje met een chocolaatje.

Diezelfde fiets is meeverhuisd naar Berlijn. Toen ik net naar beneden liep en in de garage mijn fietsschoenen zocht, heb ik maar even liefdevol wat stof van het zadel gehaald met mijn wijsvinger.

Natúúrlijk kun je hier fietsen.

Natúúrlijk zijn ook hier racefietsers die rondjes trekken, die er professioneel bij kijken en waarschijnlijk verder komen dan ik ooit heb gefietst. Het idee van rode veilige fietspaden moet je laten varen, je krijgt er heel wat kinderkopjes en gestuiter aan je kont bij, maar onmogelijk is het niet.

Ik heb zelfs het plan al gevat, vorig jaar september. Ik vroeg mijn goede vriendin (en profwielrenster) Marijn de Vries via Twitter of zij niet wist hoe ik hier aan goede fietsroutes kon komen. In een handomdraai had ik via haar 10.000 volgers een dozijn tips met goede routes binnen. Ik kon ze zo op internet vinden en zou meteen eropuit kunnen gaan.

Zou kunnen. Want ik deed het dus niet.

Twee kinderen.

Een freelance bestaan.

Een onzekere en altijd veranderlijke agenda.

Vijf keer verkouden in drie maanden tijd.

Ik kan er heel veel excuses voor verzinnen, maar uiteindelijk telt er maar één: ik ben gewoon niet fanatiek genoeg. Een boek op de bank is ook prima, zeg maar.

Wat ik dan wel weer heb, is een peperduur abonnement op een luxe sportschool in de buurt. Met eigen zwembad, spa, sauna, noem maar op. Ik ga er dus veel te weinig naar toe. Waarom? Lees bovenstaande zes regels nog maar eens een keertje.

Maar toen ik vandaag via mijn telefoon eraan werd herinnerd, dat fietsvriendin Marijn bij het Radio1 programma Kunststofzou zitten, dook het inieminie-fanatiekelingetje weer op en ik kreeg een goed idee.

Een uur lang een radioprogramma terugluisteren kun je stil op de bank zittend doen. Of lopend door je huis, de vuile was bij elkaar rapend en opruimend. Maar dat kun je dus ook doen op een fiets.

Voor buiten vond ik het wat te laat. (Weer een excuus natuurlijk). Maar binnen fietsen zag ik wel zitten. (Marijn spreekt er schande van, want dat is toch echt het allerlaatste wat je als fietser wilt doen. Binnen fietsen. Haar Tacx ziet ze als een noodzakelijk kwaad, als het in Nederland echt te koud of nat is om te fietsen, en toen ik ooit haar advies vroeg welke ik zou aanschaffen zodat ik thuis kon fietsen terwijl boven mijn baby sliep, wilde ze mij dat idee weer snel uit mijn hoofd praten. Is haar ook gelukt trouwens, ik heb nog steeds geen Tacx).

En dus nam ik plaats op de spinningfiets in mijn sportschool, hier 5 minuten vandaan. Naast een pezig mannetje met een kaal hoofd en gespierde, smalle benen. Type racefietser, dat leek me duidelijk. Op mijn oor kondigde Joost Prinsen vriendin Marijn aan, ik was zwaar onder de indruk en ging maar eens proberen mijn fietsschoenen in de pedalen te klikken.

Lukte niet.

Die meneer naast mij gebaarde dat ik mijn oordoppen eruit moest doen. “Jij hebt geen SPD”, zei hij. SPD? Dat is de Duitse PvdA, maar dit ging dus ergens anders over. Ik keek naar mijn schoenzolen, en er stond echt SPD bij. Maar er bleken platen op te zitten, en die kunnen niet in een spinningfiets. Kortom: daar zat ik met mijn toffe fietsschoenen.

Dan maar in de beugels (afgang) en fietsen. Af en toe wat weerstand erbij. Maar niet te fanatiek dus, ik wilde tenslotte ook naar mijn vriendin luisteren. Die vent naast mij analyseerde ondertussen wat ik deed. Toen ik ging staan, gebaarde hij weer. “Probeer je billen eens rustig te houden. En je bovenlichaam stil. Nu slingert je fiets en dat kost je tijd.”

Het was me niet te doen om tijd.

Het was me niet te doen om mijn houding.

Maar omdat voor vriendin Marijn dat soort dingen wel allemaal belangrijk zijn (haar boek staat tenslotte ook in mijn kast en ik volg bijna al haar wedstrijden, ook op afstand), deed ik toch gewoon maar eens mijn best. Om me tijdens het gesprek weer een beetje in te kunnen voelen in hoe het moet zijn. Om een echte fanatieke profwielrenster te zijn.

Dat lukt natuurlijk niet.

Want ik ben tenslotte niet fanatiek genoeg. Ik zit hier, veilig binnen, een beetje wegkabbelend (maar wel zwetend) op mijn fietsie. 650 km bij haar vandaan.

Maar toch. Ik ben het aan haar verplicht om me in te leven. Ook al is het maar een poging. Terwijl ik naar haar luister, bedenk ik me dat de fietsbroek met zeem die langzaam doordrenkt raakt met mijn amateurzweet, van haar is. Eén van haar eersten, gekocht nog voordat ze de kleding van haar team(s) kreeg. En die ze dus cadeau gaf aan mij. Want haar kast puilde inmiddels uit van de zeemlappen.

In de uitzending van vanavond maakte ze bekend dat ze een wekelijkse column in Trouw krijgt. Als opvolgster van DE MART die er na 35 jaar mee stopt.

Ik denk dat ik maar eens een handtekening ga vragen. Op mijn/haar fietsbroek. Met witte stift op zwart.

En ik wou dat ik af en toe even fanatiek was als zij. Heel even.

Maar als ik afstap, denk ik: Zo is het goed. Dit was een fijn uurtje. Dan maar niet fanatiek.

Snel naar huis. Nog een wijntje. En een chocolaatje.

Wennen

Vergezichten met groen gras, blauwe zee, zand zover je kunt kijken.

Gezellig aan tafel schuiven in het huis van goede vrienden.

Fietsen naar het Amsterdamse bos, ijsjes eten – ook als het daar nog te koud voor is.

De benen languit in een stacaravan met oranje vlaggetjes.

De kroning die een inauguratie is.

Vrijmarkt in Haarlem.

Indrukwekkende beelden uit Amsterdam.

Lunchen en dineren in hip ogende strandtenten met slechte bediening.

Schrikken van de prijzen.

Genieten van de zon op het terras.

Onze dochter die een asbak kapot slaat. Met één hand. In één keer.

De beste vrienden die langs komen, ook als ze daar eigenlijk te druk voor zijn.

Wijntjes.

Patat.

Blij zijn als de zeewind eindelijk warmer en minder scherp om onze oren waait.

De eerste stapjes van onze dochter in het zand.

Onze zoon die met blote voeten alsmaar water blijft halen.

Boeings kijken tussen de vliegtuigspotters en de tulpenvelden.

Het vliegtuig dat ons naar die andere fijne Nederlandse vriendin in Engeland brengt.

Drie Engelse dagen boven de 20 graden.

Met Bacon ontbijten.

Wandelen.

Schommelen in de tuin.

Beleefd praten.

Picknicken in het park.

Poedelen tussen de fonteinen in de binnenstad.

Weer terugvliegen.

Eén dagje Drenthe.

Winkelen.

Rokjesdag.

Eindelijk zomerbanden.

Harlingen.

Schaapjeswolken als schilderijen.

Dagjesmensen. Hemelvaartsreizigers. Familieweekend.

De boot naar Vlieland.

Voor even Eilanders.

Met de bakfiets.

Naar de kroeg.

Lunchen.

Wijntjes.

Borrelhapjes.

Meer wijntjes.

En heel veel familieleden.

Heel veel gezellige familieleden.

Zo gezellig en relaxt, dat het eigenlijk helemaal niet kan.

En nu is het dus best even wennen om na zo’n vakantie weer terug te zijn in Berlijn.

We zijn er echt helemaal uit geweest. Maar ook echt even weer helemaal thuis. Ik moet weer zoeken naar de Duitse woorden. Ik staar nog een beetje wezenloos naar de Fernsehturm. Ik heb de stapel Berliner Zeitungen nog niet aangeraakt. En heb het nieuws hier nog maar amper gevolgd. Een reis naar de redactie voelt nog een beetje alsof er iemand anders achter het stuur zit.

De terugreis was lang – wonen we echt zo ver weg?

Nederland zit in ons, in mij.

Maar gelukkig begint de Berlijnse zomer.

28 graden vandaag.

In Nederland? 12.

Dat waren vroeger de dagen waarop ik niets liever wilde dan in de Berlijnse zomersferen zitten.

Die zijn onbetaalbaar.

Nu zit ik er.

En zo valt het niet zwaar om te wennen.

Eigenlijk zijn we nog steeds op vakantie.

En daar gaan we van genieten.

Kunst, geschiedenis of Disney?

In Berlijn weet je het nooit zo heel erg precies.

Is het kunst?

Geschiedenis?

Of marketing?

Berlijn is geen mooie stad. Geen Disney. Een stad die altijd en voortdurend aan verandering onderhevig is. Een stad in wording. En als iets af is, wordt het weer in twijfel getrokken en 20 jaar later weer afgebroken. Of 40. Dat kan hier.

De afgelopen dagen staan niet alleen de Duitse, maar ook de internationale kranten vol van stukken over ‘DE muur’. De auteurs van die stukjes hebben het over de East Side Gallery, op Twitter en FB ook wel liefdevol afgekort als ESG. Het klinkt bijna als een nieuw partypilletje.

Het is bij mij om de hoek, op de fiets nog geen 10 minuten. Ik kom er niet zo vaak, fiets er alleen maar langs. En dat heeft ermee te maken dat ik deze strook van in totaal 1,3 kilometer helemaal niet zo heel erg bijzonder vind.

Misschien omdat ik me dat stuk muur nog herinner als een grijs stukje achter de Warschauer Straße. Ik weet natuurlijk weinig van die tijd, maar wel dat dit lange stuk waarachter de Spree schuil gaat niet altijd zo fel en kleurrijk is geweest als nu. Mijn herinnering zal bedrieglijk zijn; dat is vaak zo. Want vóór 1990 kwam ik eigenlijk amper bij Warschauer Straße. Ik stapte er niet uit, omdat er geen vrienden woonden en omdat mijn ouders er niet werkten, twee belangrijke voorwaarden om als Berlijns kind ergens naar toe te gaan.

Dat betekent dat ik dat stuk grens pas gezien kan hebben, toen er wel degelijk een reden was om er langs te komen. Een uitstapje met school? Overstappen op de U-Bahn? De Koude Oorlog en de muur zorgden ervoor dat je op dit station pas weer in 1995 de metro (richting het Westen) kon pakken. Maar toen moet er al lang graffiti op hebben gezeten.

Meteen na de val van de muur werden de grijze stukken beton, die alleen het achterste gedeelte van de grens waren, tot openbare galerij verklaard. Kunstenaars uit de hele wereld schilderden en spoten er hun indrukken van de gebeurtenissen op. NA de val van de muur, want toen dit nog echt de afsluiter van de Berlijnse muur was (de echte grens was de daar achter liggende Spree), waren de stenen natuurlijk gewoon zoals ze bedoeld waren. Oorspronkelijk wit, maar inmiddels grijs. Graffiti in Oost-Berlijn? Denk maar niet dat je er toen iets op mocht spuiten. Zelfs niet als je een spuitbus had kunnen bemachtigen ergens.

Mettertijd werden de oorspronkelijke kunstwerken vaal. En dus schilderden bijna al die internationale kunstenaars er nog eens overheen. Materialen uit de DDR waren ook nooit zo’n lang leven beschoren, en dus gingen ook de stenen langzaam kapot. Er volgde een restauratie. Historische stenen, met nieuwe kunst en ook nieuw beton. En nieuwe toeristen. Die nu volgens mij vaak geen idee meer hebben dat het ooit allemaal grijs was aan deze kant.

Geschiedenis is kunst geworden. En ja, de muur stond hier echt. Maar wat je nu ziet, heeft weinig meer te maken met de echte grens, die uit twee muren bestond, met daartussenin een Todesstreifen met zand, wachttorens en patrouillerende soldaten. (Als je wilt weten hoe dat er echt uitzag, moet je naar het documentatiecentrum aan de Bernauer Straße, daar draaien filmopnames van een helicopter die in 1990 en 91 over de hele muustrook is gevlogen en zo het verloop van de Berlijnse muur voor eeuwig heeft vastgelegd.)

Toch is de East Side Gallery een monument. Officieel. Door de stad beschermd, al in 1991.

Ook daarom is het vreemd dat er nu onaangekondigd gaten in worden gezaagd.

Toch vind ik de ophef overdreven. Het gaat over een stuk van 19 meter. En de stad heeft betere voorbeelden voor haar geschiedenis. De Bernauer Straße. De wachttoren die verstopt staat achter Potsdamer Platz (je moet even zoeken). De stukjes Todesstreifen die door grote delen van de stad lopen, maar dan wel buiten het centrum. Waar het gros van de toeristen niet komt.

En dat is misschien ook maar goed zo. Waar veel toeristen komen, wordt veel gesaneerd en veel aangepast. Want je wilt toch iets moois presenteren? Je wilt toch een mooie stad afleveren? Op een dienblaadje? Daarom is de Brandenburger Tor nu witter dan ooit. Daarom wordt er nu een nieuw stadskasteel gebouwd. Omdat het paleis van de DDR op dezelfde plek te lelijk was. Daarom staat er een nep-grenswachtershuisje op Checkpoint Charlie. Met nep-zandzakken. En nep-soldaten. Daarom is de East Side Gallery nu vrolijker dan ooit. Met gekortwiekt strak gras erachter. En daarom is Berlijn inmiddels toch wel een beetje Disney. Let maar op Mickey Mouse op de Pariser Platz. (En Darth Vader, ook al gezien. Echt waar).

Berlijn vertelt genoeg verhalen van vroeger. Op tal van plekken, vooral de ongesaneerde. De kapotte en aftandse. De East Side Gallery is absoluut een bezienswaardigheid. Maar niet de enige. En niet zaligmakend.

Ik hoop altijd maar dat de internationale stadsgidsen dat ook weten. En het doorvertellen aan de toeristen. Maar ook aan de journalisten die er nu over schrijven.

Eisfieber

Ik had een goed idee, vond ik.

Simpel, maar vaak zijn dat de besten. In Nederland zie je alweer een hele week lang schaatsreportages op televisie. Hoe dik het ijs is. Wanneer je erop kan. Welke plaats de eerste marathon op natuurijs binnenhaalt. Wat de ijsmeesters erover zeggen. Welke ijsbanen vernield zijn met zout. Hoe met man en macht geprobeerd wordt de sneeuw van het ijs te blazen. Hoe mensen onder het ijs belanden. Hoe tochten worden gestaakt, omdat schaatsers door het ijs zakken (zojuist gebeurd in Overijssel).

Alles voor de ijzers. Voor de fanatiekelingen. En op een paar na (ik ken er welgeteld eentje) is het hele land in rep en roer. Blij dat het kan, al is het maar thuis op een grachtje of een poeltje.

Hier kraait er geen haan naar.

Echt niet.

Het vriest alweer behoorlijk lang (Althans – voor mijn gevoel een eeuwigheid. Januari had tot nu toe 3 zonuren. Geen idee waar dat heengaat. Maar goed is het niet voor een mens.). Dus dan is er ook ijs. En kun je ook schaatsen. Want in Nederland kan het toch ook? Ook al is het ijs slechter dan in voorgaande jaren – her en der kan het best wel.

En dus stuurde ik het idee naar de RBB. Gewoon omdat ik zin had in een ijsreportage. En blijkbaar stond het onderwerp nog helemaal niet op de agenda, dus ik mocht het gisteren onmiddellijk maken.

Een belrondje leert dan al snel: ijsmeesters kennen ze hier niet. Ijsverenigingen ook niet (alleen sportverenigingen voor schaatsers of ijshockeyspelers). Evenmin zijn er recreatieschappen. De overheid van een deelstaat (vergelijkbaar met het provinciebestuur in Nederland) heeft er ook geen kaas van gegeten. Het Land Brandenburg heeft geen overzicht van de watergebieden waar wellicht op geschaatst kan worden.

Het enige controllerende orgaan is de Wasserschutzpolizei. Die checken vooral dat de nog verankerde bootjes niet gestolen worden in de winter, maar ze letten ook een beetje op het ijs. En waarschuwen als je er niet op kan.

En gek genoeg kan dat dus ook niet.

Ik heb best wel wat rondgebeld. Ben uitgekomen bij één van de mooiste schaatsgebieden van Duitsland – de Spreewald. Als het ijs daar dik genoeg is, kun je kilometers lange tochten maken. (Iets wat Duitsers over het algemeen niet doen. Ze hebben alleen kunstschaatsen en ijshockeyschaatsen en daar kom je niet ver mee.)

Maar ook daar kan het nu niet. Het ijs is te dun. Te gevaarlijk. Ook al is het daar best ondiep – er is teveel stroming. En ook al krijgen we in het weekend ’s nachts -20, dan nog zal het ijs niet genoeg kunnen groeien.

Geen schaatsers te bekennen dus tijdens mijn tocht. Ijskoorts? Hebben ze hier nog nooit van gehoord.

Af en toe schijnen er nog wat ondergelopen weilanden te zijn, waar je dan wel op mag. Maar ook die heb ik gisteren niet zo snel kunnen vinden.

Mijn eigen schaatsen had ik dus wel mee. Maar helaas – ik heb maar heel even op het ijs gestaan.

DE REPORTAGE (een ouderwetse link)

Nog (heel even) stil

Het zijn al meer dan 20 miljoen overnachtingen per jaar. En het worden alsmaar meer.

Toeristen houden van Berlijn.

Engelsen, Nederlanders en Amerikanen komen het meest. (Maar liefst 10% meer Nederlanders dan vorig jaar. Zou het iets met onze verhuizing te maken hebben? We hebben al veel bezoek gehad, :-).

Maar nu is het Kerst. Nog een heel dagje.

En dan is de stad leeg.

Engelsen blijven in Engeland.

Amerikanen in Amerika.

En Nederlanders in Nederland.

Zo gaan die dingen.

Voor de echte Berlijners alle reden om even diep adem te halen en te genieten van nagenoeg lege straten. Ook bij toeristische trekpleisters word je even ondergedompeld in oorverdovende stilte.

Op de trottoirs geen trossen mensen met een plattegrond die midden op het pad blijven staan. En die dus fijn de weg blokkeren zodat je er niet langs kan.  Nee, je kan doorlopen. Slenteren zelfs. Het tempo van de Berlijner die met Kerst in de stad blijft, vertraagt.

Want in de stad wonen inmiddels ongelofelijk veel mensen die de afgelopen jaren vanuit andere uithoeken van het land hier naar toe zijn verhuisd. Vanuit Bonn, Castrop-Rauxel, Paderborn en Buxtehude. Vanuit Göttingen of Eckernförde.

‘Wahlberliner’ heten die. (En streng genomen zijn wij dat ook. Niet alleen omdat we nu vanuit Nederland ‘terug’ zijn gegaan, maar ook omdat ik samen met mijn ouders ook ooit van de Oostzee hier naar toe ben gekomen. Naar Berlijn, de stad van onze keuze).

Al die mensen hebben hun ouders en grootouders dus in de meest verre uithoeken van Duitsland wonen. Daar is hun ‘thuis’ en dus gaan ze daar ook onder de kerstboom zitten.

In onze wijk blijven daarom heel wat ramen donker de afgelopen dagen. Zonder kerstlichtjes.

En in de binnenstad en de populaire wijk Prenzlauer Berg kun je zowat een speld horen vallen met de kerstdagen. Want alle grote gezinnen zitten in Beieren, Baden-Württemberg, op de berg of in kleine dorpen. Bij oma en opa.

Ze doen maar.

Zo hebben wij de stad heel eventjes voor ons.

Heeeeeeel eventjes, want de komende dagen is het weer afgelopen met de rust.

Met oud&nieuw verwacht de stad dit jaar zoveel toeristen als nooit tevoren. 2 miljoen, alleen met de jaarwisseling.

Maar vandaag is het nog stil.

Ik geniet nog even.