Berliner Eis

Als het dan toch geen lente wil worden – dan liever zo. We gingen naar buiten om eendjes te voeren (dat doe je met een peuter van bijna 3), maar die bleken gevlogen.

In plaats daarvan – dit. Schaatsen hadden we niet bij ons, maar zo ging het ook. Prachtig glad, donker, dik. Zoals het hoort te zijn.



Berlijns ijs. (En wie goed kijkt, ziet de televisietoren in de mist.)

Maar ook de politie was er. Toen we aan de overkant waren, stopte een blauwe wagen met omroepsysteem: “An alle auf dem Eis! Wir haben Tauwetter! Wenn Sie einbrechen, dann tun Sie das auf eigene Gefahr.”

Ok, weer heel snel terug naar de overkant, voordat de dooi echt inzet. Met deze laatste stuiptrekking nog even als hoogtepunt van de afgelopen winter.

(Trouwens: mocht iemand nog echt van plan zijn om de schaatsen zo onder te binden en even snel hierheen te komen – doe maar niet. As we speak cirkelt een helikopter hier buiten het raam die met veel stemgeluid de laatste waaghalzen van het ijs trommelt. Daaaaaaaag winter!)

Wat deed mijn opa eigenlijk in de oorlog?


Deze foto liet mijn moeder mij een week geleden zien. Daar staat ie. Haar opa. Mijn overgrootopa. Met een Duitse helm en een mantel die doet vermoeden dat het minstens 20 graden onder nul was.

Dit is in Warschau, Polenfeldzug. Die begon in 1939, maar wanneer deze foto is genomen, dat weet ik niet. En al helemaal niet wat hij daar deed. Ook niet bij welk regiment hij hoorde.

Alles wat ik nog van hem weet, zijn de kleine verhalen die hij me vertelde toen ik als 7-jarige in de stoel tegenover hem zat.

“Opa, hoe kom jij eigenlijk aan die grote neus?”, vroeg ik hem iedere keer weer. Het was een spelletje, want hij vertelde altijd hetzelfde.

“Heel simpel. Op het grote marktplein werden de neuzen uitgedeeld. Ik was nog een kleine jongen en kon niet zo goed over de rest heenkijken. Uiteindelijk was ik pas als één van de laatsten aan de beurt. En toen waren er nog maar twee over: een Rotznase (een loopneus) en een hele grote, lange neus. Nou, zo’n kleine die altijd loopt, dat is niet wat, en dus riep ik: Doe mij maar die grote!”.

Ik lag in een deuk.

Dat is dus bijna alles wat er over is van mijn herinnering. Hij overleed in 1988, op zijn 87e.

En ik ken dus alleen het verhaal van die kleine jongen.
Wat ie als volwassen meneer in de oorlog deed – geen idee.

Dus mocht iemand van plan zijn om me nog eens te vragen wat mijn opa eigenlijk in de oorlog deed – ik probeer het uit te zoeken.

Alleen al vanwege die mooie foto.
En omdat ik het heel graag wil weten.

Meerderjarig

Ik moet mijn kast opruimen. Omdat er teveel oude kleren in liggen. Omdat ik zin heb in de lente. En ook al lijkt ie verder weg dan ooit (het is nu -2,1), die kast moet leeg.

En dat is helemaal niet makkelijk. Ik ben namelijk best gehecht aan mijn spullen. Ik weet bij ieder kledingstuk waar ik het heb gekocht en als ik het in mijn handen neem, weet ik ook meteen weer waarom ik het ooit mooi vond. Ook al is het nu eigenlijk gedegradeerd tot een aftands stukje stof.

Bovendien kan ik moeilijk dingen weggooien die niet kapot zijn.

Dus hoe lelijk het shirtje of die rok ook is, ik kan het vaak niet over mijn hart verkrijgen om de boel in een grote grijze zak te stoppen. En dan ook nog in de auto te laden en in één of andere container te dumpen. Zelfs als ik weet dat er dan aan de andere kant van de wereld iemand mee rond gaat lopen. Zal ik ‘m dan toch nog even bewaren?

En ‘even’ – dat zijn ineens enkele jaren.

En sommige stukken zijn tijdloos. Unkaputtbar (niet kapot te krijgen). En die vind ik dan soms nog steeds mooi. Zoals mijn hempje van Calida. Een Zwitsers merk voor ondergoed.

Ik kocht ‘m – samen met mijn moeder – toen ik 14 was. Echt. Waar. Ik lieg niet. Het hempje is ouder dan mijn relatie. Het lag in de winkel en in mijn la toen er nog niet eens internet bestond.

Ok, sindsdien is ie niet meer zo zwart als ie was. Eerder donkergrijs. Maar het elasthan geeft nog even goed mee als toen. Is nog steeds stevig. En de glimmende steentjes zijn er nog nooit afgevallen. Alle vijf zitten ze er nog even mooi op als 18 jaar geleden.

Ik draag het hempje dan ook nog steeds. En vergeet wel eens hoe lang ie al in mijn kast ligt. Die gaat er voorlopig ook echt nog niet uit.

Ik denk dat ik maar eens een brief ga sturen naar Zwitserland.

Zouden ze dat willen weten? Hoe lang hun hempjes gemiddeld overleven?

Rood

De afgelopen weken was ik met huid en haar en van top tot teen bezig om te wennen aan een ontiegelijk onvriendelijk werkritme. Nou is werken van 5 uur ’s ochtends tot half twee ’s middags best te doen. Sterker nog – op mijn laatste dag van de ochtendmarathon was ik zo wakker en alert als ik maar kon zijn. En ik begon het net helemaal leuk te vinden. En toch – je lijf lijdt eronder.

Iedere avond om negen uur naar bed; dat vind ik niet erg.

Koken, wassen, Max ophalen – dat gaat allemaal nog wel aardig. En ook spelen met hem lukt prima.

Maar grootschalige lichamelijke inspanning als hardlopen (waar ik net weer goed aan was begonnen) – dat gaat al een stuk minder goed. Om niet te zeggen: gewoon niet.

Armen en benen kunnen de energie niet opbrengen die daarvoor nodig is. Ze geven aan mijn hersens het signaal door: nu even niet. We zijn al zo lang wakker, Ulli. Laat ons maar even met rust. Toe nou!

Nou ja. Daar zit je dan. Zonder beweging.

En omdat je midden in de nacht opstaat en het bloed in je aderen alleen op slakkentempo vooruit slurpt, wordt je huid ook nog eens met de dag bleker. Met op mijn kin rode puntjes, en op mijn voorhoofd ziet het er niet veel beter uit.

Iedere dag voelt als een ‘bad hair day’, Meneertje Glans gaat eruit en Mevrouwtje Futloos neemt het over.

Nu de langdurige ochtendshift even voorbij is, begin ik de boel weer op te pimpen. De eerste vier kilometer rennen zijn achter de rug. We hebben een nieuwe weegschaal waar vanaf nu iedere dag minder kilo’s op mogen verschijnen (want als je lijf moe is en niet mag slapen, dan vraagt ie om de haverklap om voedsel, echt waar!).

En het werd tijd om ook weer eens iets te doen aan die suffe slierten op mijn hoofd.

Tadaaaa! Gebeurd. Ze zijn nu rood. Zie boven.

De kleur van de energie.

Vroeg

Nu op dit tijdstip kan ik dus mijn ogen minder goed open houden. Mijn neus loopt, mijn haar zakt af en er trekt langzaam een waas voor mijn pupil. Zal ik een koffie nemen? Of thee?

Als ik dan toch weer in beweging kom, gaat alles een fractie langzamer dan normaal. De post opruimen, kruimels van de bank vegen, en wat zei die meneer op televisie nou net?

Eigenlijk is het best relaxt.
Want er is nog genoeg energie over om met zoon M. een spoorbaan te bouwen. Of te tekenen. Zo lekker langzaam kauwen bij het eten en dan loom in bad. Nog even in nachtgewaad een paar pagina’s lezen (poging tot) en dan komt echt de man met de hamer. Rond negen uur.

Twee hele weken mogen lichaam en geest hier nog aan wennen. Die hele toestand heet ochtenddienst.