Check Up

Hee, toch nog even over dat boek. Want dat houdt me bezig.

In hoofdstuk één vind ik uit dat ik framemaat 57 moet hebben. Of dat ook op mijn fiets staat? Heb ik destijds wel de goede gekocht?

Zomaar uit het niets schafte ik in 2007 een racefiets aan. Omdat ik wel eens over de Utrechtse Heuvelrug wilde sjokken. Sneller dan de gemiddelde opoefiets. Hij staat nog steeds in de schuur, is blauw en … ja, meer weet ik eigenlijk niet over hem. Behalve dat ik er ook blauwe klikschoenen en een blauw shirt bij heb gekocht. Toen.

Nu pas worden mijn ogen geopend. Is mijn stuur wel even breed als mijn schouders? Ik leg het boek even neer en hol naar de garage. Even meten; 43 cm. Ja hoor. Dat klopt alvast.

Bij de alinea over het vrouwenzadel moet ik het laten afweten. In de wielerwinkel ben ik destijds geholpen door mannen die met geen woord mokten over de vrouwelijke variant. Terwijl die dus heel belangrijk schijnt te zijn voor je zitbotjes. Daar moet ik dus wat aan doen.

Mijn groepen? De mijne staat niet in het boek, maar een korte mail naar één van de auteurs leert al snel dat mijn groep wat minder vaak voorkomt, maar ook prima is (27 versnellingen, mocht u geïnteresseerd zijn).

Dat trucje met die edele delen (dat nu al zo uitgebreid besproken is op tv en radio, dat heel Nederland meteen zou moeten weten waar ik het over heb), dat heb ik ook maar eens toegepast. Maar waarde schrijfsters: ik kreeg er nou juist wat meer last van. Of komt dat omdat ik dan toch al best goed gewend ben aan mijn zadel? En mijn huid dus al enige weerstand heeft opgebouwd?

Hoe dan ook. Een bel heb ik ook niet op mijn fiets. Iedere keer roep ik maar ‘Ho’ of ‘Joehoe’ als ik de Achterhoekse bejaarden in wil halen, en omdat ik me een beetje schaam, doe ik dat pas zo laat dat ze alsnog schrikken.

Tijd dus voor een dringende Vrouw&Fiets Check up.

Zaterdag ochtend is het zover. Ik ga voor de ultieme controle langs bij ’s Nederlands beste racefietsenwinkel.

Ben benieuwd hoe vaak ik mijn fietsleven nog moet beteren.

Want ik ben nog maar bij hoofdstuk 2.

Een boek, een boek!

Daar zaten ze dan. In een grote (volgens genodigde Claudia de Breij lelijke) hal, pal tegenover het WK Baanwielrennen. Met hun creatie voor de neus, wit met een roze randje. En tussen de deksels heel veel letters.

Bergen letters op een rieten tafel.

De schrijverettes citeerden op de Bühne uit eigen werk, deelden handtekeningen uit en signeerden hun eigen verzinsels. Ze gingen op de foto, stonden RTV Drenthe te woord en pronkten met hun online geshopte jurkjes.

Oh ja, hoge hakken hadden ze ook nog eens aan.

En dat allemaal omdat ze graag fietsen. De één als prof, de ander als recreant (maar dan de die-hard versie, met honderden kilometers en zo).

In hun tweede leven zijn ze ook nog eens columnistes. Waar om te lachen valt.

Eigenlijk weet ik niet zo goed hoeveel complimenten ik deze dames verder nog moet geven. Behalve deze: vrouwelijke wezens die overwegen (hebben overwogen, zullen overwegen) om op een racefiets te stappen, dan is dit boekvan Marijn en Nynke absoluut verplichte literatuur!

(En wie ze nog even live wil bewonderen, moet vanavond om 22 uur naar Paul de Leeuw kijken!)

Een prijs, een prijs!

Het is dus gelukt. Ik kan een NL Award boven mijn bed hangen.

Geheel tegen de verwachting in (want er zijn ook zoveel andere goede verhalen), wonnen collega Eva M. en ik gisteravond de prijs voor de beste regionale tv- en radioproductie. Toen het werd ingestuurd, was ik op vakantie en bij terugkomst dacht ik: oh ja, dat was inderdaad best een toffe serie.

Vlak voor de bekendmaking flitste het door mijn hoofd: we worden het niet. Want de andere twee bijdrages waren politieker, inhoudelijker, grappiger.

Maar dan toch, de samenvatting van de jury.

“Leven en dood in tijden van voetbalgekte. Spannende radio waar echt iets gebeurt. Respectvol gemaakt. Een internationaal evenement vertaald naar de regio met een persoonlijke invalshoek. Het winnen programma in de categorie Radio Achtergrond is de ‘WK Soap’ van RTV Utrecht’.”

En toen mocht ik toch opstaan. (Collega Eva zat op dat moment met haar dikke zwangere buik in bad, en aangezien zij geen alcohol mag, kan ik de fles champagne nu alleen opdrinken.)

Trots en blij, dat wel.

> Benieuwd? Hier vind je de radioreportage die de prijs echt heeft gewonnen (een week later overleed Gerrit)

> En hier zijn delen van dehele serievoor tv te vinden

> En vergeet dan ook niet even naarDe Koerskte kijken, want die won ook!

Prijzen

Gezien de wereldproblemen die aardbevingen, tsunami’s en droogkokende brandstofstaven veroorzaken, brengt de regionale omroep tegenwoordig vooral nieuws in de luwte. Dat zal ik niet ontkennen.

Wij vertellen de kleine verhalen, maar ook de zorgen die regiogenoten hebben over hun Japanse vrienden of bekenden. Zoals het Christelijk Lyceum in Zeist waar de leerlingen geen idee hebben hoe het nu met hun Japanse gastscholieren gaat. Of de Japanse student uit Utrecht die een lezing over de aardbeving in zijn land volgt. Omdat ie alles, maar dan ook alles wil weten.

Dat steekt maar schamel af bij de verslaggevers die de afgelopen dagen naar het hol van de leeuw zijn getrokken (en nu weer veilig in het vliegtuig zitten). En toch: uiteindelijk is al het grote nieuws op deze aardbol terug te voeren naar die ene kleine speld in dat ene dorp of die ene straat.

Over dat kleine, regionale wordt vandaag en morgen weer eens gesproken op de ROOS-dagen, de bijeenkomst voor alle Nederlandse regionale omroepen.

Omdat ik met mijn hoofd de laatste dagen vooral in Japan zat, ben ik dus ook bijna vergeten dat er bij die dagen ook een prijsuitreiking hoort. De NL Award.

Voor de beste regionale tv- en radioproducties.

En samen met collega Eva M. ben ik genomineerd.

Niet voor het grote nieuws op aarde. Niet voor een live verslag vanuit een crisis- of rampgebied. Wij doen niet aan oorlogsverslaggeving. Maar trekken eerder de volkswijken in.

Onze bijdrage is klein, net als ons nieuws. We zijn genomineerd voor een aantal radioreportages tijdens het WK 2010.

Denkt er iemand nog aan voetbal? Vanavond misschien heel even. Dan horen we of we een prijs binnenslepen.

Terug naar het noorden

Dezelfde gele stoelen met blauwe poten. Zie ik door het raam als ik door de bogen van het Harmoniecomplex kom aangefietst.

Dit is lang geleden, zeg. Maar er is nog steeds niks veranderd. Andere fietsrekken, maar dat was het dan ook. In de kantine liggen dezelfde dienbladen. Met lichtbruin semi-gevlochten ruitjespatroon. Een nog vaak bekende docent van Communicatie loopt de trap op. En ja hoor – hij draagt gewoon dezelfde kleren als toen. Of begin ik nu terug te dwarrelen in de tijd?

Achter de receptie zit nog steeds de dames-wc. En de concierge – ja hoor – dat is dezelfde als negen jaar geleden. Hij lijkt nog steeds op Robert de Niro, schiet me weer te binnen.

De gang aan de rechter kant, met die grote zware zwaaideuren naar de leslokalen – dat was mijn nieuwe habitat toen ik hier in augustus 1998 kwam studeren. Een blik naar rechts, op het prikbord – ja, hier zit nog steeds de studie Engels. En de poster voldoet ook aan mijn verwachting: de studiereis 2011 gaat naar Oxford. Net als in 1999. Opnieuw rond 1 mei.

Even verderop: het lokaal waar ik in 2002 aan mijn postdoctorale studie journalistiek begon. Met z’n zessen zaten we op het puntje van onze stoel, want eindelijk vonden we allemaal een vak dat ons echt interesseerde. Waar mensen uit de praktijk les kwamen geven, waar de grote wijde wereld van de onderwerpen in onze tot dan toe maar minimaal gestimuleerde breinen binnendenderde.

Heerlijk was het.

En nu mocht ik nog een keer komen. En was ik degene die als praktijkdocent werd gevraagd. Een hele ochtend over camjo praten, camjo laten zien, camjo in de hoofden van de studenten planten. Uitleggen hoe het op de werkvloer werkt, hoe snel je kan monteren als het erop aan komt, en waarom het niet alleen een bezuinigingsmaatregel is. Maar één van de allerleukste journalistieke onderdelen.

Ze luisterden. Naar mij. Stelden vragen en het was een vreemde gewaarwording dat ik ook nog eens overal antwoord op kon geven. Omdat ik van mijn werk hou en er dus ook heel enthousiast over ben. Ik kan niet in hun hoofden kijken en weet dus niet wat ze er echt van vinden. Zien ze het zitten? Camjo worden? Zelf draaien, interviewen, monteren?

Terwijl ik toch ook nog zo goed wist hoe ik daar zelf zat, aan de andere kant, in de bankjes. Een camjo-docent was er toen nog niet, maar naar de regionale omroep? Dat zou ik never nooit doen.

Wist ik zeker in 2002.

Sommige dingen veranderen dus toch.

Carnaval? Toch maar wel.

Ik ging vandaag toch maar een beetje meedoen.

Stapte op de fiets en ging mijn straat uit. Rechts afslaan bij de rotonde en dan zo’n 15 kilometer rechtdoor. Bij Beek bleek ik ineens op de Dösweg te fietsen. Normaalgesproken heet het hier de Sint Jansgildestraat (persoonlijk vind ik dat een mooiere naam).

Vandaag dus alles anders. Want het schijnt carnaval te zijn.

Ieder huis was voorzien van vlaggetjes. In alle soorten en maten. Vooral groengeel. En in het volgende dorp roodwit. Ik fietste er maar doorheen. En passeerde mensen in vooral veel fluorescerende kleuren. Dat schijnt hip te zijn dit jaar. In carnavalsland.

Nog 5 km verder kwam ik dan een verder tamelijk betekenisloos klein dorpje binnen. Aan de grens. Op de grens. Waar nooit iets gebeurt. Waar een mooi kasteeltje staat, maar als je er op zondag doorheen rijdt, zie je dus nooit iemand.

Vandaag stond het allemaal op de kop.

Dansmariekes, prinsen die naar me zwaaiden. Het was een dolle boel in Waskupenstad. En alle mensen staarden me aan omdat ik als enige tegen de richting in liep. (Voor het gemak was ik even afgestapt.)

Kon me niet schelen.

De zon scheen.

En ik deed gewoon een beetje mee.

Ik was tenslotte speciaal verkleed gekomen – als wielrenner.