Niksen

We zijn weer bijgekomen. In de zon. In de S-Bahn. Onder de Brandenburger Tor. En tussen de bomen en de zandheuvels van Grunewald.

Zoonlief mag nog wat langer genieten van de Duitse hoofdstad. Hij ligt nu in zijn meivakantie heerlijk te ronken onder de dikke dekens van Omi’s huis in het Berlijnse bos. En hij droomt van zijn splinternieuwe rode fiets.

En ik? Ben terug. Vriend J. is al doorgestoomd voor werk naar Amsterdam, en de koffer ligt nog half uitgepakt naast me. Ik heb geen zin om de was te doen, mijn schoenen liggen naast de stoel en eigenlijk heb ik nu zin in een ijskoud biertje.

Mijn avondeten? Boven links. Zo voel ik me heel even net een vent. Nergens naar omkijken. Niet koken. Geen billen afvegen. Geen was.

Nog heel even onderuitgezakt. Vanaf morgen heeft het werkende leven mij weer terug. Voor negen dagen werk (achter elkaar).

Schrik

Alles was normaal.
Toen we gistermiddag van de zon genoten in de stad. Anderhalf uur na dit ijsje zaten we ineens in een ambulance. Terwijl we met z’n tweetjes zo gezellig op het terras van dat ene café zaten, waar ze altijd blauwe autootjes hebben voor ’t kroost. We lachten en maakten grapjes.

Max keek richting de kerk en toen bleven zijn ogen hangen. Ik wapperde even, want dacht dat ie gewoon aan het staren was. Maar hij draaide niet bij. Sterker nog, hij begon naar achteren weg te zakken.

Met een hoopje lichaam en een angst die me naar de keel greep, pakte ik hem en rende naar binnen. Of ze iemand konden bellen, want dit had ik nog nooit meegemaakt. Niet met Max. Die altijd gezond is, en nog maar twee dagen van zijn leven koorts heeft gehad.

Een ambulance was onderweg en een medewerker voelde zijn pols. Hij had een EHBO diploma op zak, en ik heb nooit geweten dat ik daar ooit zo blij mee zou zijn.

Hij ademde en zijn pols was goed, maar Max kwam nog steeds niet bij.

Pas in de ambulance lukte het. Spugen, huilen – normale reacties voor een kind dat net ineens hoge koorts had gekregen en nu totaal niet begreep wat hem overkwam.

Een koortsstuip – dat bleek het te zijn. Zeiden de ambulancebroeders. En ook de kinderarts, even later in het ziekenhuis. Nog meer spugen, uitleg en een nachtje ter observatie.

Ik mocht naast hem slapen en ’s avonds was hij alweer bijna de oude. Onder de indruk van alle nieuwe dingen om hem heen. Een dikke Paracetamol in zijn lijf en slapen maar. Het ging weer beter.

Het schijnt iets redelijk gewoons te zijn, zo’n koortstoeval. Maar niet als je zoiets nog nooit hebt meegemaakt. Moeilijk om niet in paniek te raken. Om niet als een klein kind zelf te gaan meejanken. De verleiding is groot, maar daar wordt het natuurlijk alleen maar erger van.

Vanochtend mochten we naar huis. Met nog steeds lichte koorts, maar alweer heel wat praatjes keerde Max terug naar zijn eigen vertrouwde speelgoedtreinen.

Alles weer normaal. Bijna.
Ik neem nu eerst maar eens een kopje thee.

Der kleine Max möchte gerne abgeholt werden…

En toen begon de zon eíndelijk te schijnen en wij reden naar Ikea (ja, vraag me niet hoe dat kan, het ging gewoon zo). Geïnspireerd door een paar nepbloemen in de nieuwste folder, zin in een ritje, geen zin om te koken, maar in Zweedse balletjes – geen idee wat de reden was, maar we gingen, Max en ik.

En in de auto schoot het me ineens te binnen: de ballenbak! Daar zou hij toch zo langzamerhand in mogen? Kinderland? Smaland? Het speelgoedparadijs in de grote blauwe doos. Het leek me wel wat voor mijn zoontje.

Hij knikte toen ik het over de ballen had, en dartelde enthousiast mee. Toen de mevrouw achter de balie vroeg: “Kom je spelen?”, knikte hij nog heftiger, nu verstomd, want hij was al onder de indruk.

“Ik zie een kerstboom, mama!” Oh ja, dat moest dat groene ding zijn in het midden, met drie etagères om op te klimmen. Vast heel gevaarlijk, die kerstboom in april.

Ik moest van die mevrouw een formuliertje invullen. Dat deed ik.

Op zich wilde ik Max prima meenemen door de winkel. Hij zou over alle banken klauteren, voortdurend wegrennen, eindeloos met de treinen op de kinderafdeling spelen en in dat ding klimmen dat dicht kan en ronddraaien. Geeft verder niks, ik kan daar heel goed tegen, meestal vind ik hem vanzelf terug. Of hij mij.

Maar het leek me nou eens zo tof om in mijn eentje door de showroom te banjeren en dan op een gegeven moment die stem te horen: “Max Jonkeren wil graag opgehaald worden uit het kinderparadijs…”. Te gek leek me dat. Ik bedoel – dat is toch een fenomeen? Hoe vaak heb ik dat al iemand horen roepen? Hoe vaak worden er grapjes over gemaakt?

Voor een mensenleven is het eigenlijk onmisbaar, dat moment. Dat je eindelijk, voor het eerst in je leven, gewoon wordt omgeroepen! Dat – en het vertrouwen dat Max het in dat grote kinderspeelland veel leuker zou vinden dan boven tussen de Björns en de Paxes – maakte dat ik mijn naam in goed leesbare koeienletters op het papiertje zette.

“Oh”, zei de mevrouw toen ze mijn briefje zag. “Hij is bijna 3? Dan mag het niet van de verzekering. Sorry.”

Bijna 3 – dat had ik er letterlijk zo opgezet. Maar het kinderland is pas vanaf 3 een echt paradijs. Bijna 3 is geen 3. Volgens die mevrouw. En volgens de verzekering dus. Voor die tijd blijven de poorten tot de tuin van Eden dicht. Hartstikke op slot.

Max vatte het erg volwassen op. Hij draaide zich meteen weg en liep richting de trap. Met de houten treinen alweer in zijn hoofd.

Ik daarentegen: hartstikke teleurgesteld. Had ik me voor niks zitten verheugen op de ballenbak. Nog twee maandjes en een paar dagen – dan mag het.