Lezen en dat soort dingen

Wat is dat toch: op vakantie had ik een boek mee. Literatuur. Tip van goede vriendin S. Ze drukte hem in mijn hand en zei: ‘Hier. Ik denk dat jij dit wel mooi vindt.’

Vond ik. Zo mooi dat ik de vijfhonderd pagina’s in nog geen 7 dagen uit had. En toen had ik dus geen ander boek meer. Was helemaal niet in me opgekomen.

Dom.

Want misschien dacht ik wel: mijn ouders gaan een weekje mee en we hebben een 3-jarige peuterkleuter die gezellig de hele dag tegen ons aankletst en ’s avonds pas laat in zijn bed ligt. Dan heb je toch geen tijd om te lezen. Dacht ik. Denken jullie vast ook wel.

Maar dat was dus wonderbaarlijkerwijs niet zo. Ik las gewoon iedere vrije minuut die ik had. Nog vóór het ontbijt, terwijl papa J. en zoontje Max boven hele andere inhoud tot zich namen.

Bij het zwembad, toen papa J. en zoon Max met de opblaasbare krokodil in de weer waren. En ’s avonds, na tienen, terwijl mijn ouders zich beklaagden dat we ook best een keertje met elkaar zouden kunnen praten.

Maar lezen vond ik leuker.

Dat lukt me dus alleen op vakantie.
Terwijl ik thuis dus ook iedere vrije minuut datzelfde boek zou kunnen vastpakken. Vóór het ontbijt zou kunnen lezen, ’s avonds vanaf 9 uur wel minstens twee uur verder zou kunnen gaan.
En toch ligt de volgende, vrij dunne roman nu op mijn nachtkastje. Op de kop. Op pagina 4. Dat schiet niet echt op.

Is het dan toch de was die je thuis moet doen? De vaatwasser die je moet vullen? De spullen die je voor de volgende dag moet klaarleggen? Dat televisieprogramma dat eigenlijk geen reet aan is, maar waar je toch aan vast blijft kleven? Al die reacties op Facebook die je nog moet lezen? Terwijl je daarna altijd denkt: het afgelopen half uur had ik eigenlijk wel beter kunnen besteden. Bijvoorbeeld door te lezen.

De exacte verklaring heb ik niet.

Wel had ik in onze tweede week dikke mazzel. Want nog steeds wilde ik een nieuw boek. Voor op de boot. In een taal die ik zou kunnen lezen. (En dat is dus niet Frans).

Maar we sliepen gelukkig een nachtje bij een Zwitsers-Frans stel. We waren de eerste gasten in hun net verbouwde vakantiewoning. En toen we aan het voor ons bereide overheerlijke ontbijt zaten, durfde ik het te vragen: Of zij misschien een Duits boek had? Om uit te lenen? Voor op de boot? Over een week zouden we weer aanmeren in hetzelfde dorpje en dan zou ze het terug krijgen.

Ze had er één. En ook echt één Duits boek in haar boekenkast. Ik had ‘m nog niet gelezen en zij vond ‘m destijds steengoed. Bij gebrek aan beter geloofde ik haar en ik werd niet teleurgesteld.

Wederom 500 pagina’s verder hing ik het boekje in een plastic zak (en een welverdiend kadootje) een week later aan hun deur. Ook dit boek was een echte aanrader.

Ik nam me voor om thuis op dezelfde voet verder te gaan. Maar zie boven: pagina 4 dus.

Morgen ben ik vrij. Na mijn weekenddienst.
Het wordt echt vakantieweer.

En dus wil ik maar één ding: eindelijk verder lezen.

Verslag van de waterpioniers

En toen hadden we dus een boot. Een witte ‘Penichette’ met regenboogstreepjes. Speciaal voor onze jongste medereiziger, leek het wel. Alles wat we in de auto hadden gepropt en wat door de Italiaanse regen nogal klam en vochtig aanvoelde, propten we nu gezellig in de kastjes en laatjes van onze caravan te water.

Want dat is het eigenlijk – een miniwoning of camper, maar dan vermomd als zwemmende versie. (We zijn nog nooit op stap geweest met een caravan of een camper, en toch dachten we meteen: zo moet dat voelen).

Koelkast: check. Douche en wc: check. Volwassen bed: check. Kookhoekje: yep. Kinderholletje om ’s avonds als een molletje in weg te kruipen: check. Het was allemaal aan boord. Zelfs een ouderwetse fluitketel. En een oestermes. We bevonden ons tenslotte in Zuid-Frankrijk, al deed het weer aanvankelijk anders vermoeden.

Na een eerste oefenrondje in de haven (met de oervriendelijke Duitser Karsten) kreeg vriend J. het grote stuur en ons 10 meter lange gevaarte al snel onder de knie. Dit zouden we wel even ritselen. Kom maar op – zon, water, sluis!

Enthousiast gingen we op maandag rond half zes ’s avonds van start. Start: Argens-Minervois. (Een verslapen dorpje waar hele vriendelijke mensen wonen. Die je zelfs Duitse boeken lenen voor een hele week. Zo mocht ik genieten van ‘Nachtzug nach Lissabon’, een fantastisch boek, maar dat geheel terzijde.) Het doel: Carcassonne. Met de auto 35 kilometer rijden. Met onze witte nieuwe vriend zouden we er zeker drie dagen over doen. Slow travelling, zeg maar gerust.

De eerste sluis ging best oké. Goed, we schreeuwden wel wat hard naar elkaar en hoe de touwen gegooid dienden te worden, dat moesten we ook nog een beetje beter leren, maar al met al ging het goed. Zonder botsen kwamen we in en ook weer uit de sluis.

Toen gingen de sluizen dicht. En de sluiswachters naar huis.
Aanleggen dan maar. Naar de zijkant sturen (vriend J.’s taak), aan de voorkant eraf springen (mijn taak) en met een zwemvestje aan rustig afwachten (zoonliefs taak). Dat eerste lukte prima. Aan dat tweede hield ik een blauwe plek over waarvan de restanten nu nog te bespeuren zijn. Onze derde passagier was na wat eerste afweerpogingen nu zelfs al gewend aan zijn fluorescerende beschermengel en speelde rustig met zijn treintjes aan de grote campingtafel.

Idyllisch.

Tot de sluiswachters op dinsdag maar niet uit hun bed wilden komen. 9 uur stonden we paraat. We hadden afgewassen, alles weer in de afsluitbare kastjes opgeborgen, waren aangekleed en paraat voor de doorreis.

Maar nee, we waren even vergeten dat dit Frankrijk was. En dan ook echt.
Dinsdag, 7 juni werd een dag vol onweer en regen. En de dag dat de sluiswachters gingen staken. Bingo. Op de eerste dag van onze fantastisch bedachte vakantie.

Zelfs daar hadden we een oplossing voor. Fietsen! Die stonden namelijk gewoon bovenop ons schip! En daarmee kon je vliegensvlug naar de volgende plaats racen, tussen de buien door.

En soms helpt regen ook om na te denken en je vakantie nog leuker te maken. Richting Carcassonne zouden we nog 30 sluizen moeten passeren. Daar zouden we veel tijd mee kwijt zijn, hadden we op onze eerste dag geleerd. Je moet wachten als er nog boten inzitten. En soms nog langer wachten als er ook nog best wat boten vóór jou erin willen.

En dus draaiden we onze plannen en onze boot om en voeren richting Bézier. Twee sluizen te gaan en dan zou het Canal du Midi verder sluisloos voor ons liggen.

Of de weergoden op ons besluit hadden gewacht? In ieder geval beloonden ze ons de rest van de week met een heerlijk zonnetje. Met groene en weidse wijnvelden. Met cypressen en platanen langs de kant. Met eeuwenoude bruggetjes, kastelen, kleine, maar superlekkere restaurants waar we ons tegoed deden aan eend en entrecote.

Half dagje varen, half dagje fietsen, rondkijken, niksen, slapen. Het bleek de ideale vakantiebesteding. Voor verveling was er geen tijd, want dan zetten we de motor alweer aan en gingen op een rustig tempo verder varen.

En de minipassagier? Die was al snel gewend aan het water. Aan spelen in een beperkte ruimte en aan zitten bovenop de boot (met ‘sjippies’).

Nooit eerder zaten we in een boot. Nooit eerder zo lang. Maar het is prachtig. En eigenlijk de ideale vakantie.

Als we nu naar buiten kijken en in de Nederlandse regen staren, denken we al geregeld: waren we maar terug op onze boot.

Nu zijn de waterpioniers weer aan land.