Krapjes

Het wordt krap. Zo langzaamaan.

Mijn broeken gaan al niet meer zo makkelijk dicht. Een elastiekje uit het tijdperk van het lange haar doet nu dienst als bovenste knopje.

Mijn sokken kan ik al niet meer aandoen zonder mijn been ietwat te kantelen, met de knie naar buiten. En al te lang klem zitten achter een beeldscherm is ook niet meer zo fijn. Althans – de afstand tussen navel en tafel wordt steeds kleiner.

Ik groei.

Mijn wielrenbroekje past nog wel. Het bijbehorende truitje spant inmiddels behoorlijk om mijn middel. En als ik onderweg ben om eindelijk weer eens mijn benen te strekken en te trainen, besef ik dat het er raar moet uitzien, zo’n dikke buik op een blauwe racefiets.

Maar naast het fulltime werken en het opvoeden moet ik ook nog wel zorgen dat ik in de winter een gezond en sportief kindje ter wereld breng.

Onze tweede.
En dus blijf ik wel een beetje bewegen.
En wen ik langzaam aan de gedachte aan een leven met z’n vieren.
Met een dikke glimlach op mijn gezicht.

Goede ogen

En toen gingen we dus een ogentest doen. Nou ja, dat stond althans in mijn agenda. Kinders die 3 jaar en 1 maand zijn, moeten naar het consultatiebureau, op een stoel gaan zitten en vertellen welke plaatjes ze op lichtbak aan de muur, ver weg, nog kunnen herkennen.

Zover de theorie.

Ik was goed voorbereid. In het groene boekje (voor de niet-ouders hier, en volgens mij zijn dat er nogal wat: dat is het boekje waarin de ontwikkeling van je kind wordt bijgehouden. Vanaf de eerste dag totdat ie 4 jaar is. De eerste paar keer wordt er heel nauwkeurig in opgeschreven hoeveel de baby is aangekomen, hoe groot zijn hoofd is geworden en of ie al is gegroeid. Gaandeweg ga je steeds minder vaak naar het consultatiebureau, want je kent je baby beter en dus blijft het bij de verplichte bezoekjes met prikken. Als je baby een peuter cq kleuter is geworden, dan hoef je nog maar eens in het half jaar en iedere keer staat er dan iets anders op de to do list. Nu dus: de ogen.).

En de kijkers, dat vinden vriend J. en ik best belangrijk. We zijn zelf namelijk niet echt gezegend met bijster bijzondere exemplaren. Ze doen het wel, daar niet van, maar bij mij was daar jarenlang een afzichtelijke DDR-bril voor nodig, waarvan ook nog eens één oog dichtgeplakt werd. Later kon ik de letters op het schoolbord niet meer lezen, dus hup – de volgende bril.

Niet veel anders bij vriend J. Al vanaf zijn vroege jeugd draagt hij een bril (Soms alleen in zijn schooltas, want hij wilde er liever niet mee gezien worden. Wat ertoe leidde dat hij regelmatig naar mensen terugzwaaide van wie hij geen idee had wie ze waren. Dat heeft hij gelukkig weten op te lossen met lenzen. Net als ik trouwens.)

Dit bezoek was dus belangrijk. Want ik wilde zeker weten dat onze zoon wél goede ogen heeft. Daar dacht hij kennelijk anders over, want terwijl we thuis nog hadden geoefend met de plaatjes, trof ik in de kamer van de arts een doofstomme versie van mijn eigen kind aan. Hij trok gekke bekken, stak zijn tong uit, speelde met de bal en zei verder niks.

Ik bedoel: niks.

Ik kon maar wat hopeloos met mijn armen zwaaien en hoorde mezelf de arts vertellen dat hij twee talen spreekt. “En goed ook!”

Tuurlijk. Zag ik haar denken.

We probeerden het nog een keer. Op de stoel. Kijken naar de plaatjes. Wat zie je daar, Max?

Nee hoor. Draaien met de ogen, afglijden van de stoel en maar weer grijnzend door de kamer rennen.

Ik bedoel: wat moet je daar nou mee? Betekent het dat zijn ogen gewoon goed zijn? En hij ons dat non-verbaal te kennen wil geven? Dat hij ons voor de gek houdt? Dat wij eigenlijk een stelletje gestoorden zijn die hem stomme beeldjes willen verkopen, terwijl we zelf ook wel kunnen zien dat er een theekan en een olifantje op staan?

Als ik buiten sta, kan meneertje ineens weer praten.

“Mooi bij de arts.”

Ja hoor. Tuurlijk. Hartstikke mooi was het.

Een half uurtje later zitten we even verderop voor de allereerste keer in de grote-mensen-bioscoop. Cars 2. Mét 3D-bril. Max eet popcorn en staart naar het scherm.

Volgens mij zijn z’n ogen helemaal prima.

De Giro huppelepup

Ik doe het. Ik moet gewoon.

Een stukje schrijven over ongelofelijke vriendin M. die binnen twee jaar opsteeg van ‘gewone’ journaliste tot topwielrenster. Op haar 30ste.
Ik weet het, ik heb al vaker over haar geschreven. Maar nog nooit was het zo belangrijk als nu.

Want morgen start de Tour de France. Maar dat zijn peanuts.
Want vandáág start de Giro! De Giro Donne. De watteh??? Ja, de Giro voor vrouwen dus.

Gistermiddag had ik haar nog aan de telefoon. (Wat tegenwoordig zelden is, want zo’n wielrenwedstrijdseizoen is een stuk drukker dan een eindredacteurenbaan van 36 uur, dat kan ik u wel vertellen. En dan heb je dus gewoon geen tijd om te bellen. Of te zere benen.).

Ze verheugt zich erop, vertelde ze. Maar ziet er ook tegenop.
Tien dagen lang gemiddeld 100 kilometer per dag de bergen op.

En daarna gaan ze niet aan een zwembad liggen. Nee hoor. Dan gaat de voltallige ploeg in de auto, 200 tot 300 kilometer verder rijden. Voor de volgende etappe. Pasta eten en daarna slapen. En dan weer verder fietsen.

Allemaal niks vergeleken bij de Tour, hoor ik u zeggen. Vrouwensport, pffffff.

Hallooooooo!!!! Heeft u wel eens een berg opgefietst? Een echte? Bent u er wel eens met 60 of 70 kilometer per uur vanaf gegaan? Bent u wel eens in de bocht de controle over het stuur verloren? Heeft u wel eens uw sleutelbeen gebroken? En uw pols? En bent u dan – MET GIPS – gewoon weer op de fiets gestapt om gewoon stevig door te trappen? Zonder ook maar één seconde te denken: “Hier heb ik geen zin meer in!” ?? Om dan met volle moed aan een nieuw wedstrijdseizoen te beginnen en door bijvoorbeeld de Zeeuwse slagregens te banjeren? Met eveneens een snelheid waar je ‘u’ tegen zegt??

Ikke niet.

En daarom vind ik het onvoorstelbaar wat vriendin M. de komende twee weken gaat presteren. Dat verdient aandacht. Hier. En hier. (En op Rai3, heb ik van haar begrepen, maar ik heb het tussen alle honderden digitale zenders nog niet kunnen opsporen).

Ongetwijfeld zal de NOS er weinig aandacht voor hebben. De Tour zal immers alles overschaduwen.

Persoonlijk zal ik het wielrennen de komende dagen en weken beter volgen dan ooit.
En hopen dat vriendin M. iedere dag wat hoger op de ladder klimt.
Maar vooral: dat ze niet valt. En dus de hele Giro uit kan fietsen.

Vai! Vai! Vai, Marijn!