Naar school

Tjongejongejongejongejonge.

Wat is dit anders.

Voor het eerst heb ik vandaag eens goed rondgekeken op een Nederlandse basisschool. In een gemiddelde witte nieuwbouwwijk. Met alleen maar schattige blonde en brunette kindjes wiens ouders goed verdienen en in mooie huizen wonen.

De directeur ontving mij in zijn kamer. Achterovergeleund, met zijn handen achter zijn hoofd. Relaxt.

Hoi, ik ben Wil.

Hoi Wil.

Wil houdt een gezellig praatje en laat me dan de school zien.

Hoe gaat dat dan eigenlijk?, wil ik weten. Na je vierde verjaardag meteen naar school? (dat alleen al vind ik raar, want in Duitsland heb je voor je zesde verjaardag nooit ook maar één voet binnen een school gezet). En wat leren ze dan?

Wil doet zijn best om het me uit te leggen.

Er vallen termen als ‘hoeken’ en ‘planborden’, terwijl ik verwachtte iets over ‘lezen’ en ‘schrijven’ te horen. Niks ervan.

We lopen door de verschillende groepen (je mag ook overal inlopen, alleen al dat vind ik fascinerend. Ook als je buiten blijft staan, kijk je door mooie open ramen bij iedere groep naar binnen.). Kinderen zitten aan brede tafels, die tegen elkaar staan in een rechthoek. Allemaal daar omheen, in drie of vier groepjes. Het is gezellig binnen. Eén meisje staat bij de kookhoek (er zijn ook bouwhoeken, autohoeken, noem maar op…), één meisje ligt op een matras in de hoek. De rest luistert aandachtig.

Mijn eigen (nog tamelijk socialistische) basisschooltijd begon in 1985/86. Het systeem: bankjes waar je met z’n tweeën aan zit, vijf of zes rijen achter elkaar. En dat drie keer. Ieder kind zat tamelijk stijf op zijn eigen stoel. Met de ogen getrokken door middelpuntvliedende krachten naar het groene bord en de juf vooraan. De juf die we gewoon moesten aanspreken met ‘Frau Haupt’. (En dan was ‘Haupt’ dus haar achternaam, voor de duidelijkheid.).

Het schooljaar begint voor alle Duitse basisschoolkinderen in principe op 1 september. Dat gaat dan gepaard met een feestje en een reuze te gekke grote Schultüte (ik ben er nog steeds voor om deze Duitse traditie in Nederland in te voeren, dat hoort hier helemaal thuis, ben ik van mening).

Na dat feestje begon in ieder geval voor mij de ‘Ernst des Lebens’. Meteen letters leren schrijven en lezen. En rekenen. Na een aantal maanden werden alle kinderen geacht op hetzelfde niveau te zijn. En zo ging het eigenlijk zes jaar lang.

Hoe anders is het hier. ‘Wanneer leren ze hier eigenlijk lezen?’, vraag ik aan Wil. ‘Dat is heel verschillend. Kijk, dit meisje daar kan al lezen. Zij krijgt meteen een boek in haar hand gedrukt. En andere kinderen leren het hier stukje bij beetje.’

Ok, dit is dus definitief totaal anders dan dat wat in mijn hoofd nog steeds ‘school’ betekent. Het individualisme zegeviert.

Nou zou je kunnen zeggen dat ik dat als discipline-klassikaal-onderwijs-liefhebbende-Duitse afkeur, maar niets is minder waar.

Alle kinderen hadden hun eigen taken. Alle kinderen waren rustig. Alle kinderen luisterden. En alle leraren glimlachten. Discipline? Tot de orde roepen? Neu hoor.

Misschien hadden ze een goede dag.

En het is maar een eerste indruk. Maar ik ben echt benieuwd hoe dat zal gaan, vanaf komend jaar mei.

Zo raakt een Duitser in Nederland nooit uitgeleerd.

13

Het was een warme zomerdag. Mijn Zweedse bed (type schuimmatras met zwarte hoes) zat bovenop de auto van mijn ouders. Het boekenrek en een klein bureautje achterin. Veel meer dan dat had ik niet nodig.

Zo reden we de de A28 en de Julianaweg in Groningen af. Bij dat grote kruispunt. Waar je toen nog rechtdoor kon.

Even naar rechts, en dan al snel de Fongersplaats op. Mijn allereerste stekkie in Nederland. Een kamer van nog geen 4 bij 4. Ook mijn konijn verhuisde mee.

Het was een gezellige boel, maar ook doodeng.

Een dag later begon de Keiweek al, de introductieweek voor Eerstejaarsstudenten. Terwijl ik geen idee had waar ik eigenlijk was beland. In een vreemde stad, in een land dat ik alleen maar van vakanties kende.

Het was wennen, ook al sprak ik de taal toen al aardig.
13 jaar later ben ik al lang ondergedompeld en honderd keer bovengekomen.

Het is fijn in Nederland. Proost!

Hutselknutsel

Soms wou ik dat ik zo’n heel creatief type was. Met een blog over mode, of over al die dingen die ik zelf bouw, bedenk, maak of enigszins in elkaar draai. Met duizenden bezoekers omdat het zo tof is wat ik doe.

Niet dus. Ik knutsel in de marge.

Maar dat is ook leuk, kan ik jullie vertellen!

Die kussenhoes die ik afgelopen weekend heb gemaakt (mijn eerste rits ooit!), bekijk ik nu toch iedere dag tederder dan al die gekochte exemplaren.


En het idee om van een oud boekenrek een kamerscherm te maken, de stof uit te zoeken, te kopen, met wel honderd speldjes af te steken en daarna op maat te naaien – dat was ook van mij. De scharnieren heeft vriend J. er binnen 30 seconden tussengezet. En vandaag heb ik de stof vastgeniet met hulp van zwager E.

Het mooiste dingetje dat tegenwoordig ligt te pronken en te wachten, is dan weer – jammer de bammer – niet van mijn hand. Want breien – dat kan alleen moeders.

Oh ja. Ik heb nog wel een oude spiegel van 3 euro opgelapt. Met lak. Da’s geen kunstje. Vind ik ook.

Maar het geeft wel heel veel voldoening.

Nieuw (een fotoverslag)

Iedere keer is er weer iets nieuws. Een zandheuveltje weg – een gebouw erbij. Of eentje verdwenen.
Dat is Berlijn.


Vriend J. staart al bij aankomst uit het raam en verbaast zich. ‘Dit stond hier toch nog niet? En wanneer hebben ze dat er nou bijgezet?’.

In de regen wandelen we naar een nieuwe aanwinst van de stad. De Humboldtbox. Een grijsblauwe kubus midden op de Schlossplatz. Hartje centrum, daar waar de Palast der Republik stond en neer is gehaald. En waar nu het Berliner Stadtschloss weer moet herrijzen.


Entree: 2 Euro. Dat begint goed. Binnen historische films over het stadskasteel dat hier altijd stond, in de Tweede Wereldoorlog flink beschadigd raakte en in 1950 door de Oostduitse regering werd opgeblazen.


Boven: tentoonstellingen van de Humboldt Universität. Prachtige panorama’s door brede dikke raampartijen. En bovenop al dat een terras, met chique stoelen, lekkere koffie en een beetje champagnegevoel.


Als je hier naar beneden tuurt, zie je ineens restanten van het kasteel. Oude tegelvloeren. Stenen. Muurtjes. Ontbloot aan de buitenlucht, nu de parkeerplaats die hier jarenlang zat, is opengebroken.

Een apart gezicht. Terwijl ’t een historische stad is, zijn er zelden echt archeologische resten te zien. En dat er echt nog iets van het fundament van het Stadtschloss hier onder zou zitten – dat had ik in de verste verte niet bedacht. Toch wat minder grondig in het opruimen, die Duitsers.


Alweer iets nieuws dus. In de stad die ik toch iedere keer weer denk te kennen. Ik ben nu bijna zover dat ik dat Stadtschloss ook echt gebouwd wil zien worden. Terwijl het veel te duur is en ook nog eens een slap aftreksel wordt van hoe het er vroeger uitzag.

Maar toch. Als het ergens kan, dan in deze stad.