Monsterverkoudheid

De afgelopen weken was ik ermee bezig een monster mijn huis uit te werken.

Het begon op de dag dat ik Bea ging filmen. Miezerig, voor de deuren van het Baarns Lyceum.

Sindsdien heeft het amper meer geregend, maar drupte er wel van alles en nog wat uit mijn neus. Daarnaast kreeg ik een heleboel kikkers in mijn keel die gaandeweg de uren en dagen steeds harder gingen blaffen.

En dat, mensen, is in zwangere toestand dus nog vele malen erger dan in het gewone leven. Hoesten houdt je wakker ’s nachts. Maakt dat je hele lijf schudt. Dat je ineens weet wat incontinentie betekent (’t is toch niet te geloven dat ik dit echt opschrijf). Dat je voelt dat je weer buikspieren hebt die fijn samengeknepen worden. Lijkt me niet zo prettig als je daar als baby tussenzit, maar die heeft niet echt een keus.

Het nachtkastje vult zich langzaamaan met uiensap, China-olie, neusspray voor kinderen (gewone mag je niet met een bolle buik), Dampo en wat je allemaal nog meer kan verzinnen. Het ligt er.

En de mensen om je heen die al jaren niet meer hebben gehoest, zeggen dan vriendelijk: “Adem gewoon alleen maar door je neus. Dan kriebelt het niet zo. En hoef je dus ook niet te hoesten. Alsjeblieft.”

Nou nee, zo werkt het dus niet helemaal. Helaas. Mijn neus zat namelijk ook potdicht.

En het allerergste: de verloskundige vertelt je dan dat het allemaal heel normaal is. Weerstand = laag, en dus duurt een verkoudheid niet een paar dagen, maar een eeuwigheid. En ook al is het dan net geen griep, het is wel slopend.

Afgelopen vrijdag had ik het helemaal gehad. Ik moest er niet aan denken om in zo’n toestand te bevallen. Ik ben in de telefoon geklommen en heb mijn huisarts gesmeekt: “Drie weken lang huismiddeltjes ken ik nou wel. Ik wil pillen! Iets dat helpt! In hemelsnaam! Maar laat die hoest stoppen!”.

En dan blijken er gewoon drankjes en pilletjes die maken dat de hoestkriebel ophoudt.

En die je ook als zwangere gewoon mag innemen.

Wonderbaarlijk.

Ik knap langzaam op.

En wou nu dat ik eerder had gebeld.

Kindercafés

Nee, wilde Berlijnse nachten werden het niet deze keer.

Tenminste, als je mijn hoestbuien wil meetellen, dan viel het nog mee, maar ik geloof niet dat ik dat moet doen.

In plaats daarvan was ik vooral bezig een hevige verkoudheid weg te werken. De laatste draaidag met de Koningin was toch iets te miezerig voor mijn neus en keel, en dus viel de Duitse hoofdstad me deze keer wat zwaar.

Daar komt mijn groeiende kogel voorop nog bij. Ik hoorde het net nog (bij de verloskundige nota bene: “Het lijkt wel alsof je een bal hebt ingeslikt.” Nou, ik hoop van niet. Er mag wel iets meer inzitten dan dat).

Wat dan superhandig uitkomt, zijn de Berlijnse cafés. Nou zijn dat sowieso al van die fijne woonkamerachtige spelonken met lekker goedkoop eten en drinken, maar de baby- en kinder- (en dus moedercafés) her en der – die slaan echt alles.

Deze keer was ik in deze. Op de grens van Schöneberg en Kreuzberg, wijken waar ik normaliter niet zo vaak kom, maar die ik wel een aanrader vind.

Het eerste wat opvalt: al meteen bij de deur doet iedereen zijn schoenen uit. (Duitsers doen dat vaker, moeten jullie weten; althans: thuis is het eigenlijk not done om met schoenen binnen te lopen, bij de deur gaan ze uit, en als de gastheer hélemaal goed is voorbereid, staan er een paar pantoffels klaar. Jaja.)

In een café zag ik nu voor het eerst mensen op sokken.

Daarbij kwamen gezellige tafels, banken en stoelen en daarnaast: speelgoed. Heel veel speelgoed. In het midden, maar ook in de kamers verderop. Een kamer met ballenbak, een kamer met glijbaan en auto’s, en voor de allerkleinsten overal boxkleden, rammelaars en andere dingen die babylawaai maken.

Ideaal.

Want wees nou eerlijk: in gewone cafés zit niet altijd iedereen op ouders met babys of kinderen te wachten. Zeker niet op borstvoedende moeders (ik heb menig collega daar al eens over horen klagen, maar ja, moeten we dan altijd maar opgesloten ergens verstopt zitten? Ook niet tof.) Hier maakt het niet uit. En dus spreken moeders en vaders uit de wijk hier met elkaar af. Je komt buiten, je kind ziet een andere omgeving (en andere kinderen) en jij mag genieten van versgebakken wafels, Milchkaffee, worstjes of verantwoorde groentes.

Omdat je peuter, kleuter of wat diens meer zij gewoon onmiddellijk in één van de speelkamers is verdwenen, kun je normale – en vooral lange (!) gesprekken met elkaar voeren, die niet voortdurend onderbroken worden.

In Nederland heb ik zo’n soort café nog nooit gezien. Terwijl het hier toch echt wel stikt van de hippe ouders met dito kinderen.

Ons plaatselijke restaurant heeft al wel een heel modern en vergevorderd idee dat ik nog niet eens in de randstad ben tegengekomen: een speelzolder met begeleiding, zodat ouders ook eens fatsoenlijk beneden hun wijntje kunnen drinken en elkaar kunnen verstaan tijdens het eten. Maar verder dan dat gaat het eigenlijk niet.

Mochten jullie met jullie kinderen dus binnenkort overwegen om weer eens een stedentrip te wagen (en dat is sterk aan te raden, mensen! Want kinderen vinden grote steden geweldig), zoek de Berlijnse kindercafés dan op.

Kun je lekker ook weer eens kinderachtig doen. Nog een voordeel.