Deutschland, deine Helme

Duitsers en risico, dat gaat niet goed samen. Ik ben namelijk nog niet uitgeschreven over de fietsen, verklap ik nu. Omdat het met de veiligheidsmaatregelen de spuigaten uitloopt in mijn thuisland.

Al struinend door mijn lievelingsboekenwinkel (concreet: met name de kinderboekenafdeling), overweeg ik heel even een Bilderbuch over jeugdige transportmiddelen aan te schaffen. Driewieler, tractor, step en Co. Op pagina 1 een afbeelding van een loopfiets (zoon Max beschikt reeds over deze tweewieler) en de zin: “Auf dem Laufrad müssen Kinder immer einen Helm aufsetzen”.

Boek dicht. Terug in het schap. Een helm? Op een loopfiets?

Op de camping en op de straten rond mijn ouderlijk huis (excuus: het moet ‘stoepen’ heten; die kinderen mogen de straat niet op, veel te gevaarlijk, want het gaat hier om kroost van het type vanuit het Rijnland aangespoelde Wahlberliner, en die zijn erg voorzichtig, heb ik het idee) zie ik het bewijs. Ouders met helm (en nee, dus niet op een racefiets), en op iedere loopfiets of driewieler een klein mensje met een roze of blauwe helm. Ook als ze op het fietsstoeltje bij mama of papa zitten: ja hoor. Hellumpie.

Het is een bizar gezicht. En het zal wel verplicht zijn, denk ik dan. Als ik het opzoek, zegt Wiki (en ook de Duitse overheid): “In Deutschland, Österreich und der Schweiz gibt es keine gesetzlichen Vorschriften zum Tragen von Radhelmen im Straßenverkehr.”

Ik ben verbijsterd. Ze doen dat allemaal vrijwillig?

Sterker nog: de Deutsche Bundestag heeft een oproep tot een ‘Helmpflicht’ afgeweerd vanwege ‘Überregulierung’ (teveel onzinnige wetten en regels) en nog een andere reden: als een helm verplicht zou worden, dan nemen minder mensen de fiets en dan wordt het voor de overblijvers die het autoverkeer als enigen durven trotseren, nóg gevaarlijker.

Nou snap ik het dus helemaal niet meer. Waarom dan toch al die ingepakte koppen? De volgende keer ga ik eens rustig zitten met een stel ouders voor een stevige discussie.

Ik kan die Helmduitsers natuurlijk niet allemaal uitnodigen in Nederland. Maar ik zou toch dolgraag eens hun geschokte gezichten willen aanschouwen als ze zien dat wij hier onze haren gewoon in de wind laten wapperen.

Vakantie in etappes

Fiets op raam in Berlijnse S-Bahn

“Der Berliner fährt keen Fahrrad nich’.” Zo of zo ongeveer zou je het kunnen zeggen. Althans: dat was vroeger zo. Toen ik klein was, wandelde ik tien minuten naar het S-Bahn station. Ik reed twee haltes mee, stapte braaf uit en wandelde dan weer tien minuten naar mijn schoolvriendin J.

Op de fiets had ik dat stuk makkelijk vele malen sneller kunnen afleggen. Maar dat bedenk ik me nu pas, met de Nederlandse sluier voor mijn ogen. We fietsten namelijk nooit in Berlijn.

Lees verder “Vakantie in etappes”

WK Soap

Oranje vlak
Oranje vlak

We zitten al in onze derde week. Het WK wordt alweer bijna verdrongen door Wimbledon en de jaarlijkse Franse wielrennerij, maar wij gaan gewoon stug door met voetbal.

Al sinds 11 juni volgen wij twee oranje straten in Utrecht en Amersfoort. ‘t Ondiep en de Celzusterenstraat. Eenvoudige mensen met oranje petjes, hoeden, pakken en luifels. Bier, koffie of bitterballen – we mogen aanschuiven, meelullen, uitslagen voorspellen en de geconcentreerde gezichten filmen.

Lees verder “WK Soap”

Voor wie?

Ieder EK of WK krijg ik die vraag: Voor wie ben je eigenlijk? En iedere keer is het antwoord lastig. Ja, voor wie ben ik eigenlijk?

Steevast luidt mijn antwoord: zolang Oranje en de Mannschaft er allebei inzitten, ben ik voor allebei. Kan ik bij dubbel zoveel wedstrijden meejuichen, mijn Duitse vriendin S. bellen als Duitsland beter speelt en me heel snel bij mijn collega’s of vriend J. voegen als ‘totaalvoetbal’ de boventoon voert. Handig eigenlijk.

Pas als ze tegen elkaar moeten, gaat mijn geweten opspelen. Geef ik het meest wenselijke antwoord? Zeg ik gewoon de waarheid? Jarenlang wist ik zelf niet wat de waarheid was. Ik kon er ook verder over zwijgen, want in mijn volwassen bestaan hebben Duitsland en Nederland gewoonweg nog nooit tegen elkaar moeten voetballen.
Nu misschien een nieuwe kans. Maar dan moeten ze wel allebei even volhouden tot de halve finale! Alsjeblieft? Mag ik het ook een keer meemaken? En dan vrolijk iedereen vertellen dat ik in dat geval, als het hard op hard gaat, als ik heeeeeel eerlijk ben – ik toch net iets harder ga schreeuwen voor Duitsland?
(Al doet ons beleid thuis wel iets nationalistischer aan: zoon M. sturen we gewoon in oranje shirt naar de oppas. Ook dat met een reden: bij de winkel zijn Duitse shirtjes simpelweg niet verkrijgbaar.)

Max kijkt Nederland

Oud geleerd is jong gedaan

Ulrike Nagel op skateboard

Vandaag heb ik leren skateboarden. Jaja, echt! Voor mijn radiobijdrage vroeg in de ochtend ben ik afgereisd naar Veenendaal. ‘Schoolsportdag’ stond er op mijn sheet. Oh leuk!, dacht ik, want toen ik tien was, vond ik dat het einde. Rennen, ver springen en volleyballen tegen de jongens. De zenuwen gierden op zo’n dag door mijn lijf, want ik wilde van alles en iedereen winnen.

Ik verwachtte dus een live-bijdrage vanaf een leeg sportveld dat zich langzaam met kinderen zou vullen. Die zouden sportkleding aanhebben en een klein klef rugzakje met drinken en eten op hun rug.

Dat laatste bleek te kloppen als een bus. Maar ik heb geen seconde op een sportveld gestaan. De meest interessante onderdelen van de sportdag vonden namelijk plaats op de parkeerplaats.

Het bleek voor dit Duitse meisje een ware ontdekkingstocht. Nog nooit eerder heb ik Pannakooi gespeeld. Met de step over het terrein op een sportdag 20 jaar geleden? Niks ervan. Toen ik de meisjes vertelde dat we vroeger alleen maar 60 meter gingen sprinten en in een grote zandbak met de centimeter onze voetafdrukken gingen meten, was het antwoord: ” Oh. Wat saai.”. Inderdaad.

Tot grote verbazing van alle collega’s en zelfs vriend J. had ik zelfs nog nooit geknikkerd. (Ja, ook dat was een onderdeel op de sportdag. De voorrondes van het NK notabene). Tuurlijk, die ronde knikkerdingen hadden wij vroeger ook (Murmeln), maar zo’n uitgekiende sport met regels en gaten en een wijsvinger – nee, daar weten Duitse kinderen van mijn leeftijd weinig vanaf. Er schijnen zelfs knikkertegels te bestaan – nou, die heb ik nu net voor het eerst in mijn leven opgezocht.

Ik koos uiteindelijk iets waar ik nog wel een beetje vertrouwd mee ben – een skateboard. Die had ik ooit op mijn twaalfde, maar na een heftige val op mijn stuit hield ik het onmiddellijk voor gezien.

Vandaag stond ik er voor het eerst weer op, tijdens de eerste bijdrage nog maar met één voet, maar in de pauze van 20 minuten werd ik steeds fanatieker. Dat ging lekker! Expert M. vertelde mij dat het om een longboard ging, perfect voor dames die bang zijn dat ze meteen op hun bek gaan. Dat bleek, want aan het einde van mijn tweede bijdrage ging ik er keihard vandoor.

En het rare is – ik zou er nu meteen weer op willen stappen. Zo leuk was het.

Extra stil

Het is weer zover. Voor één avond sta ik langs de zijlijn.

Ik pleeg geen Duitstalige telefoontjes vanaf de redactie. Als ik een reportage over de slachtoffers maak, vertel ik niet waar ik vandaan kom. Liever niet. Ik hou me stil.

Ik durf te beweren dat Duitsers de betekenis van 4 en 5 mei nauwelijks kennen. Bevrijdingsdag? Bestaat niet voor ons. Herdenken wel, maar onze eigen slachtoffers zijn nog steeds onderwerp van felle discussies in mijn thuisland. Want ook die mogen we niet teveel herdenken. Misschien alleen in de eigen woonkamer. Immers: wij zijn schuld. Voor eens en altijd. Eeuwig.

En terwijl ik elke minuut, alle dagen en maanden voor minstens 60 procent Nederlands voel, spreek en ben – op die ene dag sta ik er volledig buiten.

Ik merk het niet. Collega’s doen niet anders tegen mij. Niemand heeft vandaag nog een grapje uitgehaald. Ik word niet gemeden, en ik mag ook net als iedere andere verslaggever over 4 mei berichten.

En toch voel ik me raar om 8 uur ‘s avonds. Ik ben stil. Misschien wel stiller dan anderen. En zo hoort het ook.

(Camera)Stilte

Soms staat hier niks. Want dan ben ik druk. Gisteren bijvoorbeeld. Ik mocht de gloednieuwe camera testen die sinds een paar dagen het best bewaarde geheim van de redactie is. Het nieuwste van het nieuwste: want er gaat geen bandje meer in.

Een paar weken geleden zat ik nog achter een Berlijns bureau, met stapels groene tapes naast mijn oor. Letterlijk, want de bergen bandjes reikten nog net niet tot onder het plafond. Ouderwets, dacht ik toen.

Terwijl de camera waar ik dagelijks mee draai, ook nog steeds met een minibandje werkt. Dat betekent iedere verslagdag: wachten tot de boel is ingeladen. Ieder shot zie je voorbijkomen; als ik tijd over heb, ga ik ondertussen lunchen. Als de deadline nadert, kijk en schrijf ik mee (genaamd: spotten). De stapels gebruikte bandjes zijn weliswaar wat kleiner, maar nog steeds liggen ze in het zwart-rood op de inlaadstations.

En nu dan eindelijk de verwachte revolutie: de nieuwe camera werkt met een kaartje. 30 seconden en alles staat in mijn projectmap. Hij oogt wat vierkant en voelt nog een beetje neppig, maar de shots zijn steadier, de groothoek nog groter, en de scherpte-diepte mooier.

Ik geef toe: de reportage die ik ermee heb gedraaid en die vanavond de buis opgaat, is nog verre van briljant. De knoppen zitten op andere plekken, mijn vingers en ogen moeten nog wennen.

Maar: ik wil hem hebben! Dus: baas! Koop die dingen! Voor iedereen!

‘Frühaufsteher’ beim RBB

Wecker

Ik heb mijn eigen stagiaire deze week. Bovendien mag ik de auto van mijn vader gebruiken. En ik vertoef in een eigen kantoor.

Klinkt dus als ongelofelijke luxe, vergeleken met vorige week.

Feit is: ik sta iedere ochtend om 4 uur op. Rij met de auto naar andere vroege vogels, draai daar twee tot drie uur, kom om een uur of 8 aan in mijn kamertje 705 op de 3e verdieping, start de laptop op en tuur de komende uren naar een veel te klein beeldscherm.

Lees verder “‘Frühaufsteher’ beim RBB”

Even alles anders

Vrijdagavond en een vijfdaagse werkweek ligt achter de rug. Tollen, hollen, veel geduld en tot tien tellen, dat is de korte samenvatting.

In de vergadering zitten wij verslaggevers op de eerste of op de tweede rij. De planner vertelt welke onderwerpen vandaag in de uitzending zitten. Iedere dag zit de Abendschau al voor de helft vol, de namen van de verslaggevers worden al vóór de vergadering door een kleine groep leidinggevenden vastgelegd.

Ik spreek met een aardige collega die me vertelt dat de basis altijd gespannen is. Eersterangs en tweederangs verslaggevers, en dat verandert bijna nooit. Ze is deze week twee keer buiten spel gezet, vergaderingen en haar research zijn voor nop, want als er geen reportage komt, krijgt ze ook niets betaald. Klakkeloos is haar idee vandaag bijna ongemerkt van tafel geveegd, ze had wel kunnen huilen, vertelt ze. In september wordt ze voor het eerst moeder en weet eigenlijk niet hoe ze deze onzekerheid daarmee kan combineren.

Ik schaam me nu bijna, maar mijn tweede bijdrage wordt uitgezonden. In Berlijn kun je tegenwoordig zelfs voor 4,95 euro naar de kapper. Witwaspraktijken, zeggen de échte kappers. Bewijzen zijn lastig, maar dat de kleine professionele kappers het moeilijk hebben, is maar al te duidelijk. Claus Soder had een paar jaar geleden vier medewerkers, nu is ie alleen en zelfs dat is lastig om te overleven.

Anika Fehrman heeft een maandelijks abonnement bedacht. Voor 30 euro wassen, knippen, stylen. Dan mag je zelfs iedere dag komen. Het is haar laatste redmiddel, anders moet de zaak dicht.

Draaien is makkelijk, de Berlijners hebben hun hart op de tong liggen. In charmant Berlinerisch krijg ik koffie aangeboden en de openheid die volgt, verbaast me. De moeder van Anika vertelt dat ze mij relaxt en ontspannen vindt in mijn werk, een groot compliment.

Gelukkig beheers ik het lokale dialect ook nog heel goed, dat maakt het contact nog persoonlijker. En ondanks een montage met een ouderwetse editor en het inspreken met een audioprof (niks meer gewend, deze zelfvoorziende camjo), ben ik tevreden met het resultaat.

Volgende week een serie van vijf afleveringen. Werktitel ‘Berlijn wordt wakker’, dus dat wordt vroeg opstaan.

Ploeterend door de grote stad

S-Bahn Plan

Maandag was ik nog bang dat het te saai zou worden. Nu weet ik niet meer of mijn hoofd nog wel op mijn romp zit. Het is aanpoten hier. Oftewel: ik ben verwend.

Voor mijn werk als camjo heb ik normaalgesproken een auto op de parkeerplaats klaar staan. Ik mag een TomTom meenemen. Ik heb een eigen computer waar ik mee kan werken. Ik spreek mijn eigen reportages in en ben verder van niemand afhankelijk. Soms heb ik zelfs gezelschap van een aardige radiocollega.

Hier niets van dit alles: ik ben op bezoek, maar de enige camerajournalist en moet dus alles zelf uitvogelen. Waar staat de laptop? Derde verdieping. Waarmee monteren? Programma ken ik niet. Auto? “Geen idee, we weten ook niet hoe dat voor jou geregeld is.” Dus ga ik met het openbaar vervoer. Dat in Berlijn uitstekend functioneert, mits je niet met camera en statief kilometers ver moet sjouwen. Ik was even vergeten hoeveel je hier te voet moet afleggen.

De concurrentie onder collega’s is moordend, want iedereen werkt als freelancer en moet vechten voor een verhaal.

En de mensen in Berlijn? De cafebezitter uit mijn reportage was superaardig, en de mensen op straat ook ongecompliceerd. En aan de telefoon was ik nog het meest verrast: persvoorlichters hebben hier humor. En bellen binnen een half uur gegarandeerd terug.

Later meer. Voor nu mijn eerste reportage van vandaag, die precies 1 minuut voor uitzending op een bandje naar de regie werd gegooid.

> Berliner und der Dreck